Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9694

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
04-86 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/86 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 december 2003, 02/3827 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Bonnist, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2006. De Raad is tot de conclusie gekomen dat het vooronderzoek niet volledig is geweest en heeft het onderzoek heropend. Vervolgens heeft de Raad de revalidatiearts E.L.D. Angenot als deskundige benoemd. Deze heeft appellant onderzocht en van zijn bevindingen op 10 oktober 2006 rapport uitgebracht aan de Raad. Van de zijde van het Uwv is hierop geregeerd door middel van een rapport d.d. 20 november 2006 van de bezwaarverzekeringsarts

P.M. Cramer. Ter adstructie van (onder meer) het standpunt van deze verzekeringsarts heeft het Uwv bij schrijven van 23 mei 2007 nog nadere medische stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 25 mei 2007, waar namens appellante is verschenen mr. Bonnist, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren op 20 augustus 1966, is werkzaam geweest als medewerker Bestuurlijke Informatievoorziening bij de Faculteit der Diergeneeskunde aan de Universiteit van Utrecht. Nadat hij was uitgevallen wegens vermoeidheidsklachten is hem na afloop van de wachttijd bij besluit van 7 december 1999 met ingang van

14 oktober 1999 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 4 oktober 2000 is deze uitkering verlengd, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven.

In het kader van een herbeoordeling is appellant op 4 mei 2001 onderzocht door de verzekeringsarts J.E. van Riessen, die in zijn rapport van 7 mei 2001 tot de conclusie is gekomen dat appellant als gevolg van zijn klachten beperkingen heeft ten aanzien van de inspanningstolerantie en is aangewezen op rustig, voornamelijk zittend werk. Met inachtneming van deze beperkingen heeft deze arts een zogenoemd FIS-patroon opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige B.F. Ensie in zijn rapport van

26 juni 2001 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 65-80%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2001 de uitkering van appellant met ingang van 27 september 2001 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

65-80%.

In bezwaar heeft appellant gesteld dat het besluit van 26 juli 2001 op een onjuiste medische grondslag berust omdat geen uitvoering is gegeven aan het voorstel van de psychiater J.W. Gerritsen, die hem in opdracht van het Uwv had onderzocht, om een nader onderzoek in te stellen. Voorts heeft hij naar voren gebracht dat hij zich niet kan verenigen met het door de voornoemde verzekeringsarts ingenomen standpunt dat de

nek-, schouder- en rugklachten duidelijk zijn verminderd. Hij is dan ook van mening dat hij, evenals voorheen, nog steeds voor 80-100% arbeidsongeschikt is.

Nadat de bezwaarverzekeringsarts J.L Waasdorp op 15 juli 2002 rapport had uitgebracht, waarin hij zich heeft kunnen verenigen met het door de primaire verzekeringarts opgestelde FIS-patroon, heeft het Uwv bij besluit van 18 juli 2002 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant dezelfde grieven naar voren gebracht als in bezwaar. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij niet in staat is om werkzaamheden te verrichten heeft hij een rapport overgelegd van de neuroloog dr. J.W. Stenvers, die appellant op

29 september 2002 op zijn verzoek had onderzocht. Daarnaast heeft hij nog informatie ingebracht van zijn huisarts, de chiropractor James B. Russell en de behandelend fysiotherapeut.

Op deze medische informatie is van de zijde van het Uwv gereageerd door middel van een nader rapport d.d. 16 januari 2003 van de voornoemde bezwaarverzekeringsarts Waasdorp.

Bij schrijven van 23 oktober 2003 heeft appellant nog een rapport van de arbeidsdeskundige H. Möhlmann ingebracht.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant primair gesteld dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Subsidiair heeft hij gesteld dat de door hem bestreden afschatting vanuit de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100% naar de klasse 65-80% gebaseerd is op niet genoegzaam in aanmerking genomen beperkingen van de nek en duiding van functies die juist specifiek nekbelastend zijn. Daarbij is nogmaals verwezen naar het rapport van voornoemde Stenvers.

De Raad overweegt als volgt.

Allereerst stelt de Raad vast dat de namens het Uwv op 23 mei 2007 ingezonden gedingstukken zijn ingebracht met overschrijding van de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vermelde termijn van tien dagen binnen welke termijn partijen voor de zitting stukken kunnen indienen. Mede in aanmerking genomen dat deze stukken slechts kort voor de zitting per fax aan de Raad zijn toegezonden en de gemachtigde van appellant deze stukken niet heeft ontvangen en bezwaren heeft geuit tegen het alsnog in beschouwing nemen van deze stukken, heeft de Raad aanleiding gezien deze stukken te weigeren. De Raad heeft de inhoud van deze stukken bij zijn oordeelsvorming dan ook buiten beschouwing gelaten.

Voor het overige is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval beslissende betekenis moet worden toegekend aan het voormelde rapport van de als deskundige geraadpleegde revalidatiearts Angenot. Deze is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat er bij appellant op de datum in geding als gevolg van zijn klachten sprake is van meer beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Hij heeft zich niet kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt dat het gebruik van de nek niet beperkt is. Bovendien is hij van mening dat appellant niet in staat is om 40 uur per week te werken.

De Raad is van oordeel dat deze deskundige, die appellant heeft gezien en bij zijn onderzoek de beschikking had over alle in dit geding voorhanden zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft gesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. De Raad heeft derhalve geen aanleiding gevonden te twijfelen aan het oordeel van deze revalidatiearts, te meer daar de bevindingen van deze arts in grote lijnen overeenstemmen met de bevindingen van de voornoemde neuroloog Stenvers. De Raad ziet, gelet op alle gegevens, dan ook geen aanleiding om in het onderhavige geval af te wijken van het in ’s-Raads vaste jurisprudentie besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag berust en deswege in rechte niet kan worden gehandhaafd, in verband waarmee de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

Met betrekking tot het door appellant gedane verzoek om schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van de Awb overweegt de Raad dat, nu appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, het thans niet op de weg van de Raad ligt om zich over mogelijke schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tevens aandacht moeten besteden in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in eerste aanleg en op € 805,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.449,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.449,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

GdJ