Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
06-5040 WTOS
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van een tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten voor het schooljaar 2005-2006 omdat betrokkene niet aan de nationaliteitsvoorwaarden voldoet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5040 WTOS

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 juli 2006, kenmerk 06/137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)

Datum uitspraak: 13 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Mr. J.K.M. Hensels, advocaat te Vaals, heeft namens appellante hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Appellante en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 25 augustus 2005 heeft de IB-Groep de aanvraag van appellante om toekenning van een tegemoetkoming ingevolge de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) voor het schooljaar 2005-2006 afgewezen omdat zij niet aan de nationaliteitsvoorwaarden voldoet.

Bij besluit van 14 december 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft de IB-Groep het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 augustus 2005 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Wat de toepassing van de hardheidsclausule betreft heeft zij overwogen dat niet is gebleken dat sprake is van een geval waarin de uitvoering van de wet leidt tot gevolgen die de wetgever bij de totstandkoming van de wet niet heeft voorzien.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Appellante heeft immers tijdig verlenging van haar verblijfsvergunning aangevraagd. Het mag niet zo zijn dat de trage besluitvorming door de IND tot gevolg zou hebben dat zij haar aanspraak op een tegemoetkoming ingevolge de Wtos niet geldend zou kunnen maken.

De IB-Groep heeft in haar verweerschrift opgemerkt dat in artikel 2.2 van de Wtos onder meer is bepaald dat op een tegemoetkoming aanspraak kan bestaan indien de aanvrager de Nederlandse nationaliteit bezit danwel behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen groep van personen die op het terrein van tegemoetkoming met Nederlanders worden gelijkgesteld. Deze algemene maatregel van bestuur is neergelegd in artikel 2 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Hierin is onder meer bepaald dat de vreemdeling die tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 aanvraagt met een Nederlander wordt gelijkgesteld indien die vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onderdelen h en g, van de Vreemdelingenwet, voorzover er aan hem of ten behoeve van hem reeds een tegemoetkoming is verstrekt. In artikel 8, onderdeel g, van de Vreemdelingenwet is bepaald dat de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft in Nederland indien de vreemdeling in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.

De door appellante geformuleerde grief treft geen doel. De rechtbank heeft haar oordeel met betrekking tot de hardheidsclausule genoegzaam gemotiveerd. De wetgever heeft immers in de hierboven vermelde wettelijke bepalingen een regeling getroffen voor belanghebbenden op wier aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning nog niet is beslist. De wetgever heeft die regeling echter alleen opengesteld voor belanghebbenden aan wie al eerder een tegemoetkoming ingevolge de Wtos was toegekend. Aangenomen moet worden dat de wetgever voor belanghebbenden die, zoals appellante, voor het eerst een aanvraag indienen, weloverwogen heeft afgezien van het treffen van een regeling. Dit brengt mee dat een beroep op de hardheidsclausule alleen kans van slagen zou hebben in geval van bijkomende zeer bijzondere omstandigheden van individuele aard. Zulke omstandigheden zijn in het geval van appellante echter gesteld noch gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.