Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9688

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
03-5903 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Onzekerheid over de vraag of betrokkene hersteld is mag niet ten nadele van hem uitvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

03/5903 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 november 2003, 02/4206 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeribngen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Schuckink Kool, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2005. Voor appellant is verschenen mr. Schuckink Kool, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen mr. J.J. Grasmeijer.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad een psychiater benoemd voor het instellen van een onderzoek. De psychiater G. Nabarro heeft als deskundige in samenwerking met F.Y. Scheper, psychiater in opleiding, op 19 juli 2006 een rapport uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2007. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Schuckink Kool, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M. Snijders.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker. Op 23 augustus 2001 heeft appellant, die toen een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, zich ziek gemeld met hoofdpijnklachten en rugklachten. Appellant is meerdere malen op het spreekuur van een verzekeringsarts gezien. De verzekeringsarts A.J.D. Versteeg heeft appellant laten onderzoeken door psychiater E.F. van Ittersum.

Van Ittersum heeft in zijn rapport van 8 juli 2002 aangegeven dat ten tijde van het onderzoek geen sprake was van ziekte en/of gebrek in psychiatrische zin. Volgens Van Ittersum was er een discrepantie tussen de klachten en de presentatie, auto anamnetisch waren er enige aanwijzingen voor een post traumatische stressstoornis (hierna: PTSS). Mede op basis van de rapportage van Van Ittersum heeft het Uwv bij besluit van

14 augustus 2002 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 15 augustus 2002 geen recht meer heeft op ziekengeld.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing hiervan is een rapportage overgelegd van 29 augustus 2002 van psychiater R.W. Jessurun, die tot de conclusie is gekomen dat bij appellant sprake was van een PTSS acuut (gedeeltelijk in remissie), een depressieve stoornis nao en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis.

De bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft appellant op 19 september 2002 zowel psychisch als lichamelijk onderzocht en is op grond van de beschikbare gegevens tot de conclusie gekomen dat er geen reden is om appellant arbeidsongeschikt te achten voor zijn eigen arbeid. In zijn rapport van diezelfde datum onderschrijft de bezwaarverzekeringsarts de conclusie van de verzekeringsarts Versteeg. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 23 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

Namens appellant is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, welk beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond is verklaard.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv hem terecht per 15 augustus 2002 hersteld heeft verklaard. Appellant is van menig dat de bezwaarverzekeringsarts niet afdoende heeft gereageerd op de rapportage van Jessurun. Het inwinnen van medisch deskundigenadvies was dan ook noodzakelijk.

De Raad heeft aanleiding gevonden om appellant te laten onderzoeken door een psychiater. Psychiater G. Nabarro heeft als deskundige in samenwerking met

F.Y. Scheper, psychiater in opleiding, op 19 juli 2006 een rapport uitgebracht. De deskundige heeft vastgesteld dat appellant op de datum in geding nog last had van kenmerken passend bij een posttraumatische stressstoornis. Appellant had last van herbelevingen, nachtmerries, interesseverlies, prikkelbaarheid en concentratieproblemen. Met deze klachten voldeed appellant in augustus aan de diagnostische criteria van een posttraumatische stressstoornis. Een dergelijke stoornis gaat volgens de deskundige gepaard met psychische functiestoornissen, tot uiting komend in stoornissen op het gebied van angst, stemming, interpersoonlijk functioneren en cognitieve functies welke weer belemmerd kunnen werken op de capaciteiten om arbeid te kunnen verrichten.

De bezwaarverzekeringsarts Keus heeft als reactie op dit rapport een nader commentaar van psychiater Van Ittersum van 25 oktober 2006 overgelegd. Van Ittersum stelt dat er geen grote verschillen zijn tussen beide rapportages en dat beide psychiatrische onderzoeken in wezen gelijk zijn. Volgens van Ittersum concludeert Nabarro thans tot afwezigheid van ziekte en/of gebrek in psychiatrische zin, maar stelt hij retrospectief dat er sprake is geweest van een PTSS. Van Ittersum geeft aan dat hij ten tijde van zijn onderzoek een discrepantie tussen klachten en presentatie vaststelde waardoor hij concludeerde tot aanwijzing voor een PTSS. De presentatie van betrokkene was tijdens het onderzoek in 2002 zodanig dat er zeker sprake was van duurzaam benutbare mogelijkheden.

Desgevraagd heeft Nabarro gereageerd op het rapport van Van Ittersum en aangegeven dat hij zijn conclusie, dat er in augustus 2002 sprake was van een PTSS, handhaaft. Deze conclusie werd gebaseerd op auto-anamnestishe gegevens en informatie van de voormalig behandelend psychiater Jessurun. Nabarro stelt dat door Van Ittersum niet verder is toegelicht dat er een discrepantie bestond tussen de klachten en de presentatie van appellant. De genoemde discrepantie tussen de klachten en de presentatie heeft Nabarro tijdens zijn onderzoek niet kunnen vaststellen.

De Raad overweegt als volgt.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

De Raad is van oordeel dat op grond van het advies van Nabarro duidelijk vaststaat dat op de datum in geding sprake was van een psychiatrisch ziektebeeld. De Raad heeft daarbij nog gelet op de omstandigheid dat de deskundige, desgevraagd, zijn conclusie na kennisname van de rapportage van Van Ittersum, heeft gehandhaafd. De Raad concludeert dan ook dat appellant ten tijde in geding leed aan een ziekte of gebrek in de zin van de Ziektewet. Nabarro heeft de vraag of appellant op 15 augustus 2002 in staat was zijn werk te kunnen verrichten niet beantwoord, omdat dat buiten zijn deskundigheid valt. Er bestaat derhalve enige onzekerheid over het antwoord op die vraag. Die onzekerheid mag niet ten nadele van appellant worden uitgelegd nu het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts is gebaseerd op een onderzoek door Van Ittersum, waarvan de conclusie overtuigend is bestreden door Nabarro. Het bestreden besluit berust dan ook op een onjuiste medische grondslag en kan om die reden niet in stand blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden in beroep begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en in hoger beroep op € 966,- voor verleende rechtsbijstand en € 19,04 in verband met reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1629,04, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Bruning. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) J. Verrips.

CVG