Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9628

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
17-07-2007
Zaaknummer
05-5420 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen van besluit inzake schatting. Geen sprake van nieuwe feiten dan wel veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5420 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2005, 04/3656 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 6 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Hoogenraad, advocaat te Maassluis, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien is van de zijde van appellante een verklaring van haar huisarts van 15 mei 2007 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hoogenraad. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 28 februari 1997 is de eerder aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 februari 1997 ingetrokken. Aan dit besluit ligt het standpunt van de verzekeringsarts S.R. Portier ten grondslag dat appellante per die datum niet langer beperkingen heeft ten gevolge van ziekte of gebrek en appellante dientengevolge geschikt is te achten voor haar maatgevende arbeid van pompbediende gedurende 32 uur per week. Tegen het besluit van 28 februari 1997 heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Het thans aan de orde zijnde – op 26 januari 2004 door het Uwv ontvangen – verzoek van appellante strekt ertoe dat het Uwv van het besluit van 28 februari 1997 terugkomt. Bij besluit van 10 november 2004 heeft het Uwv ongegrond verklaard appellantes bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2004 waarbij is geweigerd terug te komen van het besluit van 28 februari 1997. Uit het verzoek en de in bezwaar verstrekte gegevens zijn naar de mening van het Uwv geen feiten of omstandigheden gebleken die reden kunnen zijn om een ander standpunt in te nemen.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 10 november 2004 ongegrond verklaard. Appellante stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat er wel degelijk nieuwe feiten zijn die aanleiding geven om terug te komen van het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering.

De Raad overweegt als volgt.

Het thans aan de orde zijnde verzoek strekt ertoe dat het Uwv ten voordele van appellante terugkomt van zijn in rechte onaantastbaar geworden besluit van 28 februari 1997.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar het eerdere besluit.

Ter ondersteuning van haar verzoek om terug te komen van heeft appellante aangevoerd dat:

? ze het besluit van 28 februari 1997 destijds niet heeft ontvangen althans zich de ontvangst hiervan niet kan herinneren;

? ze op of omstreeks februari 1997 geen juridische bijstand had omdat ze haar situatie niet of onvoldoende kon overzien ten gevolge van een psychose;

? ze destijds niet medisch is onderzocht maar slechts een telefonisch contact met de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden;

? de intrekking onjuist is omdat ze gelet op haar psychische gezondheidssituatie niet meer dan 13 uur per week kon werken;

? het onzorgvuldig is dat de bezwaarverzekeringsarts geen contact heeft opgenomen met de huisarts en

? de rechtbank ten onrechte geen psychiater als deskundige heeft benoemd.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellante ter onderbouwing van haar verzoek geen nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden aangedragen.

De stelling van appellante dat ze het besluit van 28 februari 1997 destijds niet heeft ontvangen is, nog daargelaten dat het in dit verband door appellante ingenomen standpunt dat ze niet meer woonde op het adres waarnaar het besluit van 28 februari 1997 is verzonden geen steun vindt in de beschikbare stukken en door appellante op geen enkele wijze is onderbouwd, niet relevant voor een beoordeling in het kader van artikel 4:6 van de Awb.

Daarvoor is evenmin relevant het standpunt van appellante dat ze destijds in het geheel niet meer in staat was haar belangen zelf te behartigen of door een ander te doen of laten behartigen. Daargelaten kan dus worden of dat standpunt voldoende is onderbouwd met de door appellante overgelegde gegevens.

De grieven van appellante gericht tegen de zorgvuldigheid en de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsarts ten grondslag liggend aan het intrekkingsbesluit van 28 februari 1997 hadden destijds als beroepsgrond naar voren kunnen en moeten worden gebracht en vormen derhalve geen nieuwe feiten dan wel veranderde omstandigheden. Het gaat er in de thans aanhangige procedure uitdrukkelijk niet om of destijds al dan niet op goede gronden is besloten tot intrekking van de uitkering.

De Raad overweegt vervolgens dat de bezwaarverzekeringsarts genoegzaam heeft gemotiveerd dat de in bezwaar van de zijde van appellante overgelegde medische gegevens geen nova opleveren.

De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in het onderhavige geval terecht beperkt tot de beoordeling of van de zijde van appellante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gesteld en dusdoende niet gehandeld in strijd met de zorgvuldigheidseisen voortvloeiend uit artikel 3:2 van de Awb.

Ten aanzien van de in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts van 15 mei 2007, merkt de Raad op dat het Uwv deze brief bij de voorbereiding van het besluit van

10 november 2004 niet kende en ook niet kon kennen, zodat hij daarmee geen rekening heeft kunnen houden. Reeds daarom gaat de Raad aan deze gegevens voorbij.

Voor het instellen door de bestuursrechter van een onderzoek door een onafhankelijk medisch deskundige is in het onderhavige geval geen plaats. Dit is immers niet verenigbaar met de aard en omvang van de toetsing van een besluit gebaseerd op artikel 4:6 Awb.

Gelet op vorenstaande is de Raad van oordeel dat het Uwv bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Gelet op het vorenoverwogene kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) J.P. Grauss.

MH