Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
06-1990 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de functie van raadsgriffier anders dan op grond van ziekten of gebreken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:22, geldigheid: 2007-07-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/437

Uitspraak

06/1990 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 28 februari 2006, 05/2869 en 05/3380 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de raad van de gemeente Medemblik als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Noorder-Koggenland (hierna: gemeenteraad)

Datum uitspraak: 5 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2007. Appellant is verschenen. De gemeenteraad heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J. Kozijn, burgemeester van de gemeente Medemblik, die werd bijgestaan door mr. J.M.L.B. Rensen-van Wissen, advocaat te Alkmaar.

II. OVERWEGINGEN

1. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de gemeenteraad, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan zijn rechtsvoorganger, de raad van de voormalige gemeente Noorder-Koggenland.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. In verband met de invoering van de dualisering van het stelsel van gemeentelijke bevoegdheden is appellant per 7 april 2003 benoemd tot griffier van de gemeenteraad (raadsgriffier). Met ingang van 1 januari 2004 is hij als zodanig in vaste dienst aangesteld.

2.2. Nadat reeds eerder onvrede was ontstaan over het functioneren van appellant, heeft in 2005 in korte tijd een aantal incidenten plaatsgevonden. Op 11 april 2005 heeft appellant een van de wethouders op luide toon bestraffend toegesproken toen deze tijdens de schorsing van een raadsvergadering overleg pleegde met enkele raadsleden, omdat dit in strijd zou zijn met het duale stelsel. Op 15 april 2005 heeft appellant zonder voorafgaand overleg met de burgemeester flyers laten verspreiden met een oproep tot het bijwonen van een hoorzitting over de voorgenomen gemeentelijke herindeling. Op 13 mei 2005 heeft hij de commissaris van de Koningin een brief geschreven waarin hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de verhoudingen binnen de gemeente bij de dualisering zijn vastgelopen en de commissaris heeft verzocht een rol te spelen bij het herstel daarvan. Van deze brief heeft appellant geen melding gemaakt, ook niet in een beoordelings-gesprek met de fractievoorzitters op 25 mei 2005.

2.3. Bij besluit van 11 juli 2005, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 oktober 2005, heeft de gemeenteraad appellant primair de disciplinaire straf opgelegd van ongevraagd ontslag met ingang van 12 juli 2005 en hem subsidiair op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkings-overeenkomst (CAR/UWO) met ingang van 1 november 2005 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de functie van raadsgriffier anders dan op grond van ziekten of gebreken.

2.4. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover thans nog van belang, heeft de voor-zieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag is gehandhaafd, het primaire besluit van 11 juli 2005 herroepen voor zover daarbij die straf is opgelegd en het verzoek van appellant om schadever-goeding afgewezen.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4. Appellant heeft de voormalige secretaris van de gemeente Noorder-Koggenland bij deurwaardersexploit doen oproepen om ter zitting van de Raad als getuige te verschijnen. Aan deze oproeping heeft betrokkene - volgens mededelingen van de gemeenteraad wegens vakantie - geen gehoor gegeven. Appellant heeft de Raad verzocht betrokkene alsnog als getuige te horen. De Raad acht daarvoor echter onvoldoende termen aanwezig. Niet alleen is naar voren gekomen dat tussen appellant en betrokkene een familierelatie bestaat, maar ook geven de aard en de inhoud van de vragen die appellant aan betrokkene gesteld wil zien geen aanleiding om te oordelen dat diens getuigenis aan de beoordeling van de zaak zou kunnen bijdragen. De Raad acht zich voldoende voorgelicht om tot een uitspraak te kunnen komen. Het verzoek van appellant is daarom afgewezen.

5. Appellant kan zich niet verenigen met de afwijzing, door de rechtbank, van zijn verzoek om schadevergoeding ter zake van het strafontslag. Het gaat hem daarbij kennelijk nog slechts om vergoeding van immateriƫle schade in de vorm van aantasting van zijn eer en goede naam. Ter zitting heeft appellant dit verzoek ingetrokken voor zover het strekt tot een - in de pers te publiceren - uitdrukkelijke rehabilitatie. Ook voor het overige ziet de Raad geen grond voor toewijzing van het verzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is geweest van plichtsverzuim, doch een onvoorwaardelijk straf-ontslag daaraan onevenredig geoordeeld. In hoger beroep heeft appellant deze vaststelling van plichtsverzuim niet bestreden, evenmin als de toerekenbaarheid van het vastgestelde plichtsverzuim. Uitgangspunt moet dus zijn dat appellant aanleiding heeft gegeven tot disciplinaire bestraffing en dat de onrechtmatigheid van het strafontslag uitsluitend was gelegen in de zwaarte van die straf. Voor zover de beschikbare gegevens strekken, is aan de bestraffing weinig of geen publiciteit gegeven. Onder deze omstandigheden acht de Raad voldoende eerherstel gelegen in de herroeping van het strafbesluit en kan een aanspraak op verdergaande genoegdoening niet worden aangenomen.

6. Resteert het door de rechtbank in stand gelaten ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie van raadsgriffier.

6.1. Blijkens het verhandelde ter zitting betwist appellant niet langer de door de gemeenteraad aan dit ontslag ten grondslag gelegde feiten, noch ook dat daaruit is gebleken dat hij niet in voldoende mate beschikt over de eigenschappen die voor een goede uitoefening van de functie noodzakelijk zijn. Hij heeft het destijds zelf niet zo ervaren, maar geeft toe dat hij - in zijn ijver om de positie van de gemeenteraad in het dualistische bestel meer tot haar recht te laten komen - achteraf bezien te weinig rekening heeft gehouden met andere betrokkenen en te weinig gevoel voor verhoudingen aan de dag heeft gelegd.

6.2. Appellant schrijft deze tekortkomingen echter toe aan de bipolaire stoornis waarmee hij reeds jaren te kampen heeft. Zijns inziens moet wel degelijk worden gesproken van ongeschiktheid op grond van ziekte of gebrek en was de gemeenteraad dus niet bevoegd om toepassing te geven aan artikel 8:6 van de CAR/UWO. Volgens appellant waren deze feiten binnen de gemeente, in ieder geval bij de toenmalige gemeentesecretaris, genoeg-zaam bekend.

6.3. De Raad kan appellant hierin niet volgen, nu de gemeenteraad wel degelijk heeft laten onderzoeken of bij hem sprake was van ziekte of gebrek. Naar aanleiding van de incidenten in april 2005 is de bedrijfsarts ingeschakeld. Deze is bij een consult op 28 april 2005 tot de conclusie gekomen dat geen duidelijke tekenen van pathologie waren aan te wijzen en dat appellant vooral boos was. Appellant heeft geen geobjectiveerde medische gegevens in het geding gebracht die in andere richting wijzen. Uit de door hem in hoger beroep overgelegde verklaring van de behandelend psychiater Veldman kan niet worden afgeleid dat in de hier van belang zijnde periode sprake was van een geestelijke gesteld-heid die als ziekte of gebrek is te kwalificeren en waaruit de tekortkomingen in het functioneren kunnen worden verklaard. Integendeel, de verklaring laat zien dat de behandeling reeds in januari 2004 was afgerond en dat er in 2004 en 2005 alleen nog contacten zijn geweest over het afbouwen van de medicatie. De door appellant op het werk ondervonden problemen worden door Veldman in belangrijke mate toegeschreven aan zijn karakterstructuur en aanleg. Het rapport van Veldman kan dan ook - mede in het licht van de bevindingen van de bedrijfsarts - niet anders worden begrepen dan dat, indien bij appellant al van een psychische aandoening sprake mocht zijn, die aandoening bij de verklaring van zijn tekortkomingen slechts een ondergeschikte rol speelt. Dat Veldman, naar appellant ter zitting heeft geschetst, slechts met moeite bereid kon worden gevonden om haar oordeel op papier te zetten, doet hieraan niet af. De Raad ziet daarin veeleer een aanwijzing dat Veldman het niet voor haar verantwoording heeft kunnen nemen om de tekortkomingen toe te schrijven aan ziekte of gebrek. Onder deze omstandigheden is er onvoldoende reden om appellant, zoals deze heeft verzocht, nog te laten onderzoeken door een daartoe door de Raad aan te wijzen deskundige. De beschikbare gegevens bieden voldoende grondslag voor het oordeel dat sprake is van ongeschiktheid als in artikel 8:6 van de CAR/UWO bedoeld.

6.4. In aanmerking genomen dat appellant vanaf eind 2004 bij herhaling op de tekort-komingen in zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld om daarin - ook door middel van cursussen - verandering te brengen, kan naar het oordeel van de Raad niet worden staande gehouden dat de gemeenteraad niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om van zijn ontslagbevoegdheid gebruik te maken.

6.5. Ook in zoverre treft het hoger beroep dus geen doel.

7. De aangevallen uitspraak komt, voor zover in hoger beroep aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

8. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

HD

03.07