Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
19-07-2007
Zaaknummer
06-5718 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van de uit hoofde van een voorzitterschap ontvangen gelden. Is het verzoek om met toepassing van artikel I-A8 van het RpbO te bepalen dat artikel I-Q512 van het RpbO buiten toepassing gelaten had moeten terecht afgewezen? Hardheidsclausule.

Wetsverwijzingen
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-Q512, geldigheid: 2007-07-05
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-P54, geldigheid: 2007-07-05
Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel I-A8, geldigheid: 2007-07-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/193

Uitspraak

06/5718 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 augustus 2006, 06/554 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, thans de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 5 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. J.P.A. Stolk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Minkhorst, die zich liet vergezellen door mr. M.M. Odijk en mr. C.M. Merkestein-Reichard, allen werkzaam bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 15 september 2005, 04/2697 AW, (LJN AU2912 en TAR 2006, 15) en de aangevallen uitspraak.

1.1. Appellant is in 1988 benoemd tot voorzitter van het College van Bestuur van de [naam Hogeschool] (hierna: Hogeschool). Bij een tussen appellant en de Hogeschool gesloten beëindigingsovereenkomst is afgesproken dat appellant met ingang van 1 augustus 1991 met behoud van volledig salaris zou optreden als adviseur van het algemeen bestuur van de Hogeschool, totdat hij per 1 januari 1994 zou uittreden op grond van de regeling voor vervroegde uittreding (VUT).

1.2. Nadat de Hogeschool in 1993 via de VUT-aanvraag van appellant vernam dat appellant met ingang van 28 augustus 1991 was verkozen tot voorzitter van het [naam waterschap], heeft de Hogeschool van appellant een bedrag ter grootte van de door hem gedurende het tijdvak van 1 juli 1991 tot 1 januari 1994 uit hoofde van dat voorzitterschap ontvangen gelden teruggevorderd met toepassing van het tot 1 augustus 1992 geldende artikel I-Q512 (vernummerd tot I-P54) van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel (RpbO). Bij vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 12 augustus 1998 is appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van f. 177.633,76 bruto aan de Hogeschool ter zake van door appellant in de periode van 28 augustus 1991 tot en met 31 juli 1993 uit hoofde van zijn functie van voorzitter van het [naam waterschap] genoten inkomsten. Dit vonnis is door de rechtbank Rotterdam bij uitspraak van 23 september 1999 bekrachtigd. Het beroep in cassatie van appellant tegen deze uitspraak is door de Hoge Raad bij arrest van 2 november 2001 verworpen.

1.3. Bij schrijven van 7 mei 2002 heeft appellant de minister onder meer verzocht om met toepassing van artikel I-A8 van het RpbO te bepalen dat artikel I-Q512 van het RpbO buiten toepassing gelaten had moeten worden en hieraan in de bekostigingssfeer zodanige gevolgen te verbinden dat appellant billijkheidshalve volledig schadeloos wordt gesteld voor de schade die hem is berokkend door de toepassing van deze bepaling in zijn geval.

1.4. In antwoord hierop heeft de minister appellant bij een beslissing van 6 juni 2002 medegedeeld geen aanleiding te zien voor toepassing van artikel I-A8 van het RpbO, omdat de rechtmatigheid van de toepassing van artikel I-Q512 van het RpbO en de vordering van de Hogeschool reeds in rechte waren vastgesteld. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 juli 2003 niet-ontvankelijk verklaard.

1.5. Bij de onder 1. genoemde uitspraak van de Raad is het besluit van 18 juli 2003 vernietigd. De Raad was van oordeel dat de beslissing van 6 juni 2002 een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was en dat van andere gronden voor een niet-ontvankelijkverklaring niet was gebleken. Met het oog op de nieuw te nemen beslissing heeft de Raad overwogen dat de minister in dit geval nog bevoegd was om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel I-A8 van het RpbO en dat de minister inhoudelijk over de gevraagde toepassing van deze bepaling diende te beslissen.

2. Bij het thans bestreden besluit van 19 december 2005 is het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2002 ongegrond verklaard en de weigering om toepassing te geven aan artikel I-A8 van het RpbO gehandhaafd. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellants grief over de schending door de rechtbank van bepalingen van hoofdstuk 8 van de Awb slaagt. Naar ’s Raads vaste jurisprudentie (zie onder meer CRvB 25 juli 2006, LJN AY5016) behoort een rechtbank, die een partij nog in de gelegenheid stelt na de zitting stukken in te zenden, het onderzoek niet te sluiten en vervolgens zonder meer uitspraak te doen, maar het onderzoek te schorsen en dit ter nadere zitting te hervatten, tenzij partijen na de ontvangst van de stukken toestemming hebben gegeven een nadere zitting achterwege te laten. De gedingstukken laten zien dat de rechtbank deze vereisten in strijd met de artikelen 8:64 en 8:65 van de Awb niet in acht heeft genomen.

3.2. De kern van appellants standpunt in (hoger) beroep is dat bij het bestreden besluit in wezen geen inhoudelijke beslissing op het verzoek van 7 mei 2002 is genomen en dat dus ook de opdracht van de Raad in zijn uitspraak van 15 september 2005 niet is uitgevoerd. Appellant betwist in hoger beroep dan ook de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat in het bestreden besluit wel een inhoudelijke beslissing gelegen zou zijn.

3.3. Ook dit betoog van appellant slaagt. Bij het bestreden besluit, en nadien herhaald in de verweerschriften bij de rechtbank en de Raad alsmede ter zitting, heeft de minister gesteld dat hij aan artikel I-A8 van het RpbO geen toepassing kan geven naar aanleiding van een verzoek van een (voormalig) werknemer van een (bijzondere) onderwijsinstelling en ziet de minister de afdracht van de inkomsten uit nevenwerkzaamheden tijdens werktijd in wezen uitsluitend als onderdeel van de contractuele relatie tussen appellant en de Hogeschool. Daarvan uitgaande, heeft de minister volstaan met de overweging dat de terugvordering door de hoogste burgerlijke rechter is aanvaard, dat artikel I-Q512 van het RpbO aan het schoolbestuur een ontheffingsmogelijkheid geeft en dat appellant geen verzoek om ontheffing heeft gedaan. De Raad kan uit het voorgaande niet anders concluderen dan dat de minister heeft nagelaten om, zoals de Raad had opgedragen bij zijn onder 1. genoemde uitspraak, te beoordelen of de terugvordering - hoezeer ook door de bevoegde burgerlijke rechter als rechtmatig aanvaard - leidt tot onevenredige hardheid ten aanzien van appellant. De enkele omstandigheid dat genoemde overwegingen bij het bestreden besluit hebben geresulteerd in ongegrondverklaring van het bezwaar en een handhaving van de weigering om toepassing te geven aan artikel I-A8 van het RpbO is onvoldoende voor een andere conclusie.

Derhalve komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten.

4. Gelet op de lange duur van het tussen partijen bestaande geschil en ter vermijding van nieuwe procedures acht de Raad het gewenst om te komen tot een definitieve afdoening. Hij kan dit doen nu partijen in de loop van de procedure uitvoerig hun standpunten over de merites van de zaak hebben uitgewisseld. De Raad zal derhalve beoordelen of ten aanzien van appellant sprake is van de hierboven bedoelde onevenredige hardheid. Het verzoek van 7 mei 2002 in samenhang met de notitie van appellants raadsman “Neven-werkzaamheden in de onderwijswetgeving en desbetreffende uitvoeringsbesluiten” zullen daarbij als uitgangspunt gelden.

4.1. Het verzoek en de notitie behelzen naast een weinig vleiende kwalificatie van de handelwijze van de Hogeschool enige juridische stellingen over appellants positie vanaf 1 augustus 1991 en de daarbij in aanmerking komende rechtspositionele bepalingen. De eerste stelling van appellant was dat hij vanaf 1 augustus 1991 geen voorzitter van het College van Bestuur van de Hogeschool meer was en dat daarom artikel I-Q512 van het RpbO niet van toepassing was. Voorts was appellant van opvatting dat de minister in het geheel niet bevoegd was om de regeling van artikel I-Q512, en later artikel I-P54, van het RpbO vast te stellen, omdat die bepalingen - kort samengevat - iedere rechtsgrond misten, niet pasten binnen het centrale arbeidsvoorwaardenbeleid van de minister van Binnen-landse Zaken en in strijd kwamen met de verlofbepalingen van hoofdstuk I-C van het RpbO.

4.2. De Raad kan in dit juridische betoog over de toepasselijkheid, juistheid en houdbaarheid van de toegepaste regeling geen omstandigheden ontwaren die kunnen leiden tot de conclusie dat moet worden gesproken van onevenredige hardheid als in artikel I-A8 van het RpbO bedoeld. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die deze conclusie rechtvaardigen.

4.3. Derhalve is de Raad van oordeel dat het verzoek van appellant om toepassing van artikel I-A8 van het RpbO niet voor inwilliging in aanmerking kwam. Dit brengt mee dat de Raad met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand zal laten.

5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding. De Raad merkt op dat in dit geding slechts de eventuele schade aan de orde kan komen die verband houdt met de vernietiging van het bestreden besluit van 19 december 2005. Appellants verzoek berust op het uitgangspunt dat hij door de Raad materieel in het gelijk wordt gesteld. Nu het laatste niet het geval is, reden waarom ook de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten, wordt het verzoek afgewezen.

6. De Raad acht tot slot, nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 december 2005;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

HD

03.07

Q