Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
05-2269 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2269 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2005, 04/1863

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 augustus 2005 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 december 2003 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 23 februari 2004 wordt ingetrokken.

Het namens appellant daartegen ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

13 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit, onder de overweging dat de rechtsgevolgen in stand blijven, vernietigd.

Met het nadere besluit van 30 augustus 2005 heeft het Uwv te kennen gegeven zijn oorspronkelijk ingenomen standpunt inzake de intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 23 februari 2004 niet langer te handhaven. Ten gevolge hiervan wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant met ingang van 23 februari 2004 onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%. Hierdoor kan het bestreden besluit geacht worden te zijn ingetrokken.

De Raad stelt vast dat, zoals ook namens appellant is bericht, het besluit van het Uwv van 30 augustus 2005 geheel tegemoet komt aan het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, zodat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep niet wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van

30 augustus 2005.

Uit ’s-Raads uitspraak van 4 februari 1997, LJN: ZB6628, volgt dat in zo’n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in beginsel is komen te vervallen, tenzij van zo’n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.

De Raad stelt vast dat namens appellant een dergelijk verzoek niet is gedaan.

Nu er tussen partijen thans geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van enig procesbelang.

Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

Nu het Uwv niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De Raad stelt vast dat aangezien de rechtbank bij de aangevallen uitspraak reeds heeft beslist ten aanzien van de proceskosten die aan de zijde van appellant zijn gevallen in verband met de procedure in eerste aanleg, hier slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. Deze proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) S. Sweep.

CVG