Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9578

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
05-1920 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAZ-uitkering.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 1
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1920 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 februari 2005, 04/1026 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 13 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd nadere stukken ingebracht waarop door partijen over en weer is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Appellant is in persoon verschenen. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 23 mei 2003 heeft het Uwv aan appellant per 2 januari 2001 een

WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80% of meer, doch gebaseerd op een op nihil gestelde grondslag, zodat de

WAZ-uitkering evenzeer op nihil is gesteld.

Bij besluit van 19 april 2004 heeft het Uwv ongegrond verklaard appellants bezwaar tegen het besluit van 23 mei 2003 onder overweging dat als eerste arbeidsongeschikt-heidsdag correct (arbitrair) 1 januari 2000 is vastgesteld, dat het ingevolge artikel 8 van de WAZ in aanmerking te nemen inkomen (over 1999 dan wel, indien dat bedrag hoger is, gemiddeld over 1995 tot en met 1999) nihil is met als gevolg dat de grondslag nihil is, dat verkapt inkomen naderhand niet als in het kader van de WAZ relevant inkomen kan worden beschouwd en dat er geen aanleiding bestaat om de (anti-)hardheidsclausule toe te passen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit van

19 april 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat zij het bepalen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 januari 2000 niet onjuist acht en dat de grondslag terecht op nihil is gesteld, daar bij het met toepassing van artikel 8 van de WAZ bepalen van de grondslag terecht is uitgegaan van de vaste jurisprudentie van de Raad, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden om een uitzondering daarop te kunnen rechtvaardigen.

In hoger beroep heeft appellant met betrekking tot de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de grondslag in essentie hetzelfde aangevoerd als in beroep bij de rechtbank.

De Raad overweegt het volgende.

Naar het oordeel van de Raad bevatten de gedingstukken, bezien in hun totaliteit en onderlinge verband, geen valide - met name medische - gegevens om wat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag betreft op goede gronden uit te gaan van een latere datum dan (arbitrair) 1 januari 2000. Gelijk de rechtbank heeft overwogen, is er sprake van een geleidelijke - afgaande op appellants eigen verklaringen in 1996/1997 ingezette - teruggang in gezondheid en is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag daarom niet met zekerheid tot een exacte datum te herleiden. De rechtbank heeft zich gebaseerd op aan de gedingstukken ontleende en in de aangevallen uitspraak vermelde gegevens en is gekomen tot de conclusie dat 1 januari 2000 niet onjuist is te achten. Appellant heeft in hoger beroep argumenten, grotendeels dezelfde als aangevoerd in beroep en beoordeeld door de rechtbank, naar voren gebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag had dienen of behoren te worden gesteld op 1 januari 2001. De Raad volgt appellant daarin niet. Op grond van de gedingstukken moet als vaststaand worden aangenomen dat appellant in 1996/1997 een hersenaandoening is overkomen die gepaard is gegaan met spraakstoornissen en aangezichtsverlammingen. De juiste naam voor die aandoening is niet belangrijk. Sindsdien is ook appellants visus geleidelijk slechter geworden, zo heeft de verzekeringsarts genoteerd in zijn rapport van

18 maart 2002, na appellant op 15 maart 2002 op zijn spreekuur te hebben gehad. Daarbij heeft de verzekeringsarts tevens genoteerd dat appellant een gezichtsvelddefect aan het linkeroog heeft, moeite met lezen heeft, daarnaast concentratiestoornissen en geheugenstoornissen heeft gekregen en ook snel door zijn energie heen is. Appellant heeft de juistheid van die gegevens niet ondergraven met het in hoger beroep overleggen van een oogarts-afsprakenkaartje met 29 augustus 2000 als eerste datum. Dat laat onverlet de mogelijkheid dat appellant geruime tijd daarvoor al meer of minder ernstige visusproblemen had, maar zich daarmee niet tot een oogarts heeft gewend. Dat appellant zijn ondernemersactiviteiten als architect in maatschapsverband eind december 2000 heeft stopgezet, levert op zichzelf noch in combinatie met het bezoek aan de oogarts in de loop van 2000 en het opzetten van een éénmansonderneming als architect eveneens in de loop van 2000 onvoldoende aanleiding op om aan te nemen dat het stellen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 januari 2001 meer in de rede had gelegen.

Het vorenstaande betekent dat wat de grondslag van de WAZ-uitkering aan appellant als zelfstandige betreft ingevolge artikel 8 van de WAZ moet worden uitgegaan van de winst per dag in het jaar 1999 dan wel, indien dat bedrag hoger is, het gemiddelde van de winst per dag in de jaren 1995 tot en met 1999.

Op grond van de in artikel 1 van de WAZ omschreven begrippen dient bij winst uit onderneming en inkomsten uit tegenwoordige arbeid te worden uitgegaan van - kort gezegd - de belastbare winst uit onderneming, vermeerderd met de ondernemersaftrek, en het belastbaar loon alsook het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, met als ijkpunt de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en met name de daarbij vermelde afdelingen van de Wet IB 2001.

Blijkens haar rapport van 13 april 2004 is de bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe wat 1999 betreft uitgegaan van een verlies van f 52.709,--, als netto resultaat vermeld in de door appellant overgelegde jaarrekening 1999. Daarbij heeft zij aangetekend dat, ook als rekening wordt gehouden met het onverrekende verlies op 1 januari 2000 van f 12.796,-- (genoemd in de brief van de belastingdienst van 22 juli 2003) het inkomen uit onderneming in 1999 voor de beoordeling in het kader van de WAZ nihil blijft.

De Raad stelt vast dat appellant in zijn aangifte inkomstenbelasting 1999 als winst uit onderneming heeft vermeld f 26.355,00 negatief en als inkomsten uit werkzaamheden die hij niet in dienstbetrekking heeft verricht een bedrag van f 15.064,-- positief, per saldo een bedrag van f 11.291,-- negatief. Aangezien ingevolge artikel 3.74 van de Wet IB 2001 de ondernemersaftrek, waartoe tevens de zelfstandigenaftrek behoort, bij de winst moet worden geteld om te komen tot de WAZ-uitkeringsgrondslag en appellant in zijn evengenoemde aangifte inkomstenbelasting 1999 aan zelfstandigenaftrek een bedrag van f 11.815,-- heeft vermeld, vloeit hieruit per saldo een bedrag van f 524,-- positief voort.

Tot de gedingstukken behoort niet ook een door de fiscus vastgestelde aanslag inkomstenbelasting over 1999, maar aangezien het Uwv in de loop van de procedure niet aan appellant heeft gevraagd die te overleggen en ook geen blijk heeft gegeven van twijfel aan de door appellant in die aangifte vermelde bedragen, ziet de Raad geen aanleiding om wat het fiscaal belastbare inkomen over 1999 betreft niet uit te gaan van de juistheid van de door appellant gedane aangifte.

Aangezien voorts bij de in artikel 1 van de WAZ omschreven begrippen winst uit onderneming en inkomsten uit tegenwoordige arbeid niet ook de op verliesverrekening betrekking hebbende afdeling 3.13 van de Wet IB 2001 is vermeld, rijst de vraag waarop de bezwaararbeidsdeskundige Grothe haar mening heeft gebaseerd dat (op het bedrag van f 524,-- positief) nog het hiervoor vermelde onverrekende verlies op 1 januari 2000 van

f 12.796,-- in mindering kan of moet worden gebracht met een over 1999 per saldo negatief belastbaar inkomen. Ter zitting is daarover van de kant van het Uwv geen duidelijkheid kunnen worden verkregen.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit lijdt aan een motiveringsgebrek dat zó wezenlijk is dat de rechtbank - zou zij dat gebrek hebben onderkend - had behoren over te gaan tot gegrondverklaring van appellants beroep en vernietiging van het bestreden besluit. Het hoger beroep slaagt dus en zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet kunnen blijken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 april 2004;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Bepaalt voorts dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en R.C. Stam en

J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2007.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) O.C. Boute.

MH