Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9513

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
06-1028 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juistheid opgestelde functiebeschrijving medewerker gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1028 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 december 2005, 05/486 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw als rechtsopvolger van de gemeente Maasbracht (hierna: college)

Datum uitspraak: 5 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.H.J. van Gerven, advocaat te Roermond. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Kempkens, werkzaam bij de gemeente Maasgouw.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was ten tijde hier van belang werkzaam als eerste medewerker [naam functie] bij de afdeling Sociale Zaken, Welzijn en Onderwijs van de voormalige gemeente Maasbracht. Bij besluit van 25 november 2003 is aan hem meegedeeld dat het college, naar aanleiding van het door appellant gemaakte bezwaar tegen de waardering van die functie, besloten heeft de daaraan ten grondslag liggende functiebeschrijving in te trekken en een nieuwe beschrijving op te stellen in relatie en evenwicht met andere beschrijvingen van eerste medewerkers in de organisatie. Meegedeeld is dat het bureau Buitenhek & van Doorn consultancy opdracht zal worden verstrekt een analyse te maken van appellants beleidsfunctie in relatie tot twee andere eerste medewerker posities.

1.2. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 27 april 2004 gegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het besluit van 25 november 2003 in strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was genomen omdat het geen volledige beslissing op bezwaar bevatte. Het besluit is door de rechtbank vernietigd, maar van het geven van een opdracht om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen is afgezien, omdat het college reeds doende was om tot nadere besluitvorming te komen en dit op zich bij appellant geen bezwaren meer ontmoette. Wel heeft de rechtbank aanleiding gezien te bepalen dat uiterlijk 4 weken na de datum van haar uitspraak de nieuwe functiebeschrijving dient te worden vastgesteld en aan appellant bekend moet worden gemaakt.

Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 7 mei 2004 heeft het college, nadat appellant in de gelegenheid was gesteld tegen een eerder concept zijn zienswijze kenbaar te maken, een definitief besluit herziene functiebeschrijving genomen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 1 maart 2005, aan appellant meegedeeld bij schrijven van 2 maart 2005, verzonden 7 maart 2005.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht als volgt.

3.1. Appellant heeft er terecht op gewezen dat in de aangevallen uitspraak op verschil-lende plaatsen sprake is van onjuiste vermelding van data. Het besluit van 25 november 2003 wordt diverse malen aangehaald als een besluit van 25 november 2004. Deze klaarblijkelijke verschrijvingen kunnen, naar appellant ook heeft erkend, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Appellant heeft er voorts terecht de aandacht op gevestigd dat in de aangevallen uitspraak herhaaldelijk en ten onrechte is overwogen dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 25 november 2003 dan wel daartegen niet in beroep is gegaan. Die overwegingen zijn inderdaad onjuist; het besluit van 25 november 2003 was immers onderwerp van het geding dat heeft geleid tot de hiervoor in 1.2. genoemde uitspraak van de rechtbank. Anders dan appellant heeft betoogd leidt die onjuiste aanname echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Appellant heeft tegen de in 1.2. genoemde uitspraak namelijk geen hoger beroep ingesteld, noch anderszins geageerd tegen de overwegingen met betrekking tot de verdere voortgang die daarin zijn verwoord, waardoor de rechtbank er naar het oordeel van de Raad in de aangevallen uitspraak van uit mocht gaan dat hij zich had neergelegd bij hetgeen in die eerdere uitspraak is overwogen omtrent de procedure die tot een nieuwe functiebeschrijving moest leiden.

3.2. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant er in het geheel niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat inschakeling van het bureau Buitenhek & van Doorn consultancy ontoelaatbaar was vanwege bestaande vooroordelen. Ook heeft appellant niet aangegeven op welke andere concrete punten de functiebeschrijving zou moeten worden aangepast of nader tegen het licht gehouden. Dat het nader onderzoek dus is toegespitst op de vraag of in de functie van appellant sprake was van volledige dan wel partiële beleidsadvisering kan de Raad dan ook niet voor onjuist of onzorgvuldig houden.

4. Met betrekking tot het inhoudelijke geschilpunt overweegt de Raad het volgende.

4.1. In de in geding zijnde herziene functiebeschrijving is onder het kopje "Kernactiviteiten hoofdtaak 1" voor zover hier van belang vermeld:

- is belast met de vertaling van wetgeving, ontwikkelingen en beleid op het vakgebied naar de lokale situatie;

- signaleert en adviseert over landelijke ontwikkelingen op het terrein van financiën mbt sociale zekerheid.

Appellant is van opvatting dat daaraan ten onrechte niet is toegevoegd een derde aandachtsstreepje, met als taken: is belast met het vormgeven aan beleid op het gebied van financiële zekerheid binnen vooraf gestelde kaders en adviseert terzake. Deze toevoeging zou tot gevolg hebben dat van volledige beleidsadvisering moet worden gesproken, zodat een hoger puntenaantal wordt gescoord bij de functiewaardering en indeling in schaal 10 (in plaats van 9) zou plaats vinden.

4.2. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om een organieke functiebeschrijving, waarbij volgens vaste jurisprudentie, zie CRvB 30 juni 2005, LJN AT9173 en TAR 2006, 8, het bestuursorgaan beleidsvrijheid toekomt en de rechterlijke toetsing met terughoudendheid moet plaatsvinden. Het college heeft in dit verband aangegeven dat in de organisatie is besloten tot differentiatie in de zwaarte van beleidsadviserende functies en dat daarbij

onderscheid is gemaakt tussen volledige en partiële beleidsadvisering. Van dat laatste is sprake indien niet alle drie de aandachtsstreepjes uit de definitie van beleidsadvisering voorkomen in de functiebeschrijving. De functie van appellant is een financiële functie bij het bureau Sociale Zaken. Dat betekent dat - voorzover sprake is van beleids-advisering - dit slechts ziet op het gebied van sociale zaken en niet op het algemene financiële beleid van de gemeente. Van de vervuller van de in geding zijnde functie wordt

verlangd dat hij financiële gegevens en bouwstenen aanlevert ten behoeve van de door het bureau uitgebrachte algemene beleidsadviezen op het gebied van Sociale Zaken. Er is in de functie van appellant geen sprake van het eigenstandig formuleren van een visie geldend voor de langere termijn; die taak is bij het bureauhoofd neergelegd.

4.3. Gelet op die uiteenzetting en in het licht van vorenomschreven toetsingsmaatstaf heeft de Raad geen aanleiding gevonden om de voor appellants functie gehanteerde functiebeschrijving in rechte onhoudbaar te achten. De keuze om de functie van appellant niet aan te merken als volledig beleidsadviserend acht de Raad voorts genoegzaam onderbouwd door hetgeen in de rapportage van het bureau Buitenhek & van Doorn consultancy is neergelegd. Appellant heeft, ter onderbouwing van zijn stelling dat in zijn functie wel degelijk sprake is van het - in opdracht - vormgeven aan beleid op het gebied van sociale zaken, weliswaar een groot aantal nota's en andere stukken overgelegd, maar daaruit blijkt naar het oordeel van de Raad niet dat appellant in zijn stelling kan worden gevolgd. De meer algemene nota's zijn immers afkomstig van het bureau Sociale Zaken of van appellants leidinggevende - en vormen aldus een onderbouwing van de visie van het college - en de notities van de hand van appellant zijn onmiskenbaar bouwstenen, aangeleverd ten behoeve van een groter geheel, dan wel kunnen worden gebracht onder de taken aangeduid in de andere twee aandachtsstreepjes genoemd in 4.3.. Voorts kan worden vastgesteld dat de nog in geding gebrachte functiebeschrijvingen van de leidinggevenden van appellant laten zien dat de volledige beleidsadvisering inderdaad bij deze functionarissen is neergelegd. Dat betekent dat appellant ook niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat door het ontbreken van het derde aandachtsstreepje in zijn functiebeschrijving sprake zou zijn van een hiaat in de te verrichten taken.

4.4.1. Appellant heeft er tot slot op gewezen dat in de aanvankelijke conceptbeschrijving van zijn functie alle drie de aandachtsstreepjes wel waren opgenomen. Bij de vaststelling van de functiebeschrijving waren slechts twee van de drie aandachtsstreepjes opgenomen, waaronder het thans ontbrekende. Het college is tot intrekking van deze functie-beschrijving overgegaan nadat de bezwarencommissie had uitgemaakt dat de taken van het destijds ontbrekende aandachtsstreepje (te weten: is belast met vertaling van wetgeving, ontwikkelingen en beleid op het vakgebied naar de lokale situatie) wel degelijk tot de functie van appellant behoorden. Appellant meent dat het in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel is om thans niet te volstaan met het alsnog toevoegen van die taken, maar tevens taken genoemd onder een ander aandachtsstreepje te schrappen.

4.4.2. Dienaangaande staat voor de Raad vast dat geen toezeggingen ter zake zijn gedaan aan appellant. De conceptbeschrijving is nimmer als zodanig vastgesteld omdat vanaf het begin de overtuiging bestond dat in de functie van appellant sprake was van partiële beleidsadvisering. De eerder vastgestelde functiebeschrijving (met twee aandachts-streepjes) is ingetrokken omdat hernieuwd onderzoek aangewezen werd geacht. Appellant kon er daarbij niet op rekenen dat de eerder opgenomen taken vertrekpunt zouden zijn. Die indruk is door het college ook niet gewekt. De Raad is voorts van oordeel dat van de zijde van het college een afdoende verklaring is gegeven voor deze, op het eerste gezicht inderdaad vreemde, gang van zaken.

Deze grief van appellant kan dus niet slagen.

4.5. Al het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak terecht in stand is gelaten. Het hoger beroep treft geen doel. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.J. Rentmeester.

HD

02.07