Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
16-07-2007
Zaaknummer
06-6383 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De bij betrokkene aanwezige, wel met de oorlogservaringen in verband staande, lichte psychische klachten beperken hem niet zodanig dat sprake is van invaliditeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/6383 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 28 september 2006, kenmerk JZ/P70/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 24 mei 2007. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door E.J.M. Kanters, werkzaam bij het Sinai Centrum te Amersfoort. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door

mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellant, die is geboren op 24 september 1939 in het voormalige Nederlands-Indië, in januari 2005 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in aanmerking te komen voor toekenning van onder meer een periodieke uitkering en een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die hij toeschrijft aan zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende Bersiap-periode.

Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft verweerster erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet (internering in de Wijk te Malang tijdens de Bersiap-periode). De door appellant ingediende aanvraag heeft verweerster overigens afgewezen op de grond dat er bij hem geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld. Dit standpunt heeft verweerster na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit.

Appellant kan zich met het bestreden besluit niet verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

In het onderhavige geding heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat verweerster ten onrechte niet de door hem gestelde oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting als calamiteiten in de zin van de Wet heeft aanvaard. Appellant heeft daarbij gewezen op het feit dat hij met zijn familie niet alleen tijdens de Bersiap-periode maar ook tijdens de Japanse bezetting is geïnterneerd geweest in hun eigen huis in de Wijk, in elk geval onder huisarrest heeft gestaan van de Japanners.

In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 19 oktober 2006, reg. nummer 06/1351 WUV, gewezen tussen appellant en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat een internering tijdens de Japanse bezetting of een door permanente bewaking gedwongen verblijf binnenshuis niet is komen vast te staan. In het onderhavige geding heeft de Raad geen grond tot een ander oordeel te komen. Verweerster heeft derhalve op goede gronden slechts de internering van appellant tijdens de Bersiap-periode als calamiteit in de zin van de Wet aanvaard.

Dit laatste staat er evenwel niet aan in de weg dat verweerster in het onderhavige geval bij de beoordeling van de aanspraken die appellant aan de Wet zou kunnen ontlenen, het geheel van de bij hem bestaande met name psychische klachten bij haar beoordeling heeft betrokken en daarbij niet ook nog onderscheid heeft gemaakt naar de gevolgen van wel of niet vaststaande oorlogservaringen.

Verweerster heeft bij het thans bestreden besluit in navolging van het advies van haar geneeskundig adviseur het standpunt ingenomen dat de bij appellant aanwezige lichamelijke klachten (hart- en voetklachten) niet in verband staan met zijn oorlogs-ervaringen en dat de bij hem aanwezige, wel met de oorlogservaringen in verband staande, lichte psychische klachten hem niet zodanig beperken dat sprake is van invaliditeit. Dit geneeskundig advies is gebaseerd op bij appellant verricht medisch onderzoek door de arts G. Kho en op informatie verkregen uit de behandelende sector, alsmede op in de bezwaarfase vanwege verweerster uitgevoerd onderzoek door

C.J.F. Kemperman, psychiater te Leek.

De Raad acht het bestreden besluit hiermee deugdelijk en draagkrachtig gemotiveerd. In de omtrent appellant beschikbare medische informatie heeft de Raad geen aanknopings-punten gevonden om het standpunt van verweerster onjuist te achten. Ook hetgeen ter zitting door E.J.M. Kanters voornoemd naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Uit zijn verklaring heeft de Raad kunnen afleiden dat bij appellant sprake is van lichte met zijn oorlogservaringen in verband staande psychische klachten, hetgeen ook verweerster accepteert, maar niet dat deze psychische klachten appellant zodanig beperken dat sprake is van invaliditeit.

Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.