Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
06-6064 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Is het buitengewoon pensioen met de te verrekenen inkomsten op juiste wijze vastgesteld?

Wetsverwijzingen
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 12
Wijzigingsbesluit Besluit ex artikel 12 van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, enz.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6064 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 5 juli 2005

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep doen instellen tegen verweersters besluit van 21 september 2006, kenmerk 41631, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 24 mei 2007. Aldaar is appellant, naar tevoren is bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerk BV.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is erkend als deelnemer aan het verzet in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet en aan hem is als zodanig met ingang van 1 november 1972 een buitengewoon pensioen toegekend, berekend naar een invaliditeit van 100% blijvend. Bij berekenings-beschikking van 30 november 2005 is het appellant toekomende pensioen over de jaren 2001, 2002 en 2003 vastgesteld en ingaande 1 januari 2004 in de voorlopige sfeer aangepast. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar doen instellen voor zover het de op het pensioen in mindering te brengen vermogensinkomsten betreft over de jaren 2001 tot en met 2003. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster dit bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant kan zich in beroep als in bezwaar niet verenigen met de hoogte van de voor hem vastgestelde verrekenbare inkomsten uit vermogen. Naar zijn oordeel had verweerster bij de vaststelling van deze voor aftrek in aanmerking komende inkomsten rekening dienen te houden met kosten van verwerving en de op de inkomsten uit vermogen rustende vermogensrendementsheffing.

De Raad overweegt als volgt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster toepassing gegeven aan het Koninklijk besluit van 9 augustus 1948, Stb. 1948, I 362, zoals gewijzigd bij besluit van 8 april 2003, Stb. 2003, 164, Regels ter uitvoering van artikel 12, eerste lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, tot vaststelling van voor verrekening in aanmerking komende inkomsten, hierna: het Besluit. Met het besluit van 8 april 2003 is het Besluit met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 gewijzigd in verband met de inwerkingtreding per 1 januari 2001 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en de gelijktijdige intrekking van de Wet inkomstenbelasting 1964. Ingaande 1 januari 2001 worden door verweerster de met het buitengewoon pensioen te verrekenen inkomsten vastgesteld met inachtneming van het Besluit zoals dat luidt vanaf 1 januari 2001.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit in overeenstemming is met het Besluit, zoals dat ingaande 1 januari 2001 is komen te luiden. Ingevolge artikel 1 van het Besluit heeft het kortingsinkomen betrekking op posten die ingevolge de Wet IB 2001 in box 1 (inkomsten uit werk en woning) worden belast, alsmede op de feitelijke inkomsten uit sparen en beleggen.

Voor het in mindering brengen van de door appellant genoemde kosten op de inkomsten uit vermogen geeft het Besluit, naar het oordeel van de Raad, geen aanknopingspunten. De omstandigheid dat, naar namens appellant gesteld, deze kosten voorheen onder de Wet IB 1964 wel in mindering werden gebracht op de inkomsten uit vermogen - wat daar ook van zij - kan er niet toe leiden dat verweerster thans, na ingrijpende wijziging van het fiscale regime en met toepassing van het Besluit zoals dat ingaande 1 januari 2001 is komen te luiden, voort gaat deze kosten bij de bepaling van de hoogte van de vermogens-inkomsten te betrekken.

Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond verklaard moet worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2007.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.