Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9504

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
05-2992 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2992 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 april 2005, 04/1246 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 26 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. Voortman-Foppen, werkzaam bij De Unie te Culemborg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is medische informatie ingezonden, waarop zijdens het Uwv is gereageerd.

Vervolgens zijn namens appellante opnieuw stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker schadeservice bij een verzekeringsmaatschappij. Zij is op 1 november 2002 uitgevallen met vermoeidheids-klachten in combinatie met pijn. De verzekeringsarts i.o. F.P.M. Schlosser heeft in zijn rapportage van 8 oktober 2003 aangegeven dat appellante vanwege nog resterende psychische klachten het beste kan functioneren in duidelijk gestructureerd werk, met goede afspraken, normale concentratie, maar meer moeite heeft met aandacht verdelen. Volgens Schlosser moet de werkwijze vaststaan en voorspelbaar zijn en mag er geen sprake zijn van veelvuldige deadlines en storingen. Appellante kan beperkt omgaan met conflicten en de aanwezigheid van een leidinggevende waarop kan worden teruggevallen is belangrijk. Samenwerken mag niet intensief zijn. Schlosser acht daarmede geen urenbeperking nodig. In verband met de hiervoorgenoemde en nog enkele andere beperkingen stelde hij de Functionele Mogelijkheden Lijst van eveneens 8 oktober 2003 op. Op 29 oktober 2003 meldde appellante zich opnieuw bij Schlosser, zulks met een terugkeer van een eerdere klacht, namelijk duizeligheid met wegvallen. Met het oog daarop achtte Schlosser het in zijn rapportage van dezelfde datum noodzakelijk nadere beperkingen aan te brengen voor persoonlijk risico. Appellante dient werk op hoogtes, bij open water en bij open draaiende machines te vermijden en bij sterke vermoeidheid dient zij ook het autorijden te vermijden. Schlosser paste op - eveneens - 29 oktober 2003 de FML dienovereenkomstig aan. Op basis hiervan achtte de arbeidsdeskundige

H.A.M. de Wilt appellante primair geschikt voor haar eigen werk. Daarnaast heeft zij met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd. De Wilt berekende, blijkens haar rapport van 30 oktober 2003, op grond daarvan het verlies aan verdienvermogen van appellante op 13%.

In overeenstemming hiermede heeft het Uwv bij besluit van 3 november 2003 geweigerd aan appellante met ingang van 30 oktober 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink de belastbaarheid van appellante opnieuw in kaart gebracht. In zijn rapportage van 22 maart 2004 concludeerde hij dat de bezwaren geen aanleiding vormen tot herziening van de medische grondslag waarop de primaire beslissing is gebaseerd. In bezwaar zijn geen nieuwe medische feiten naar voren gebracht die niet reeds door de primaire verzekeringsarts zijn meegewogen ten tijde van de beoordeling. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet het primaire arbeidskundige onderzoek, gelet op het feit dat er geen expliciete arbeidskundige bezwaren zijn gemaakt, globaal getoetst. Blijkens zijn rapportage van 28 april 2004 heeft Van Vliet een aantal van de primair geduide functies laten vervallen en berekent hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met de resterende functies op 18,3%. Op basis van appellantes geschiktheid voor haar eigen werk blijft haar mate van arbeidsongeschiktheid volgens Van Vliet minder dan 15%.

Daarop heeft het Uwv bij besluit van 6 mei 2004 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 6 mei 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

In hoger beroep zijn namens appellante de gronden uit de bezwaar- en beroepsfase herhaald en is verwezen naar de brief van de internist prof. dr. K. De Meirleir van

2 augustus 2005, inhoudende dat appellante slechts halftijds voor arbeid in haar eigen functie inzetbaar is.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid van appellante tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Ubbink geaccordeerde FML, zoals in de primaire fase van de besluitvorming op

29 oktober 2003 opgesteld door de verzekeringsarts Schlosser, geen juiste weergave vormt van de bij appellante ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De Raad heeft daarbij mede betekenis toegekend aan de brief van de rheumatoloog

dr. H.L.M. Brus van 18 juni 2003, waarin deze concludeert tot fibromyalgie en houdingsafhankelijke rugklachten en tevens een aantal maatregelen voorstelt om

- eventueel met begeleiding van een Mensendieck- of Caesartherapeut - appellantes gezondheidstoestand te doen verbeteren. Met betrekking tot de in beroep en in hoger beroep overgelegde verklaringen van prof. De Meirleir heeft de Raad geen aanknopingspunten de in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts

A.D.C. Huijsmans van 15 december 2005 vermelde opvattingen voor onjuist te houden.

Ter zake van de op 4 mei 2007 namens appellante overgelegde stukken, die in hoofdzaak betrekking hebben op haar reïntegratie door Cardan, overweegt de Raad dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op

30 oktober 2003. Aan laatstbedoelde stukken, die zien op periodes, gelegen ruim na de in geding zijnde datum, kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht wil zien. De Raad merkt overigens op dat blijkens die stukken de medewerkers van Cardan geen inzage hebben gehad in het Uwv-dossier van appellante. Voor zover uit de stukken van Cardan blijkt van de noodzaak van een urenbeperking kan die dan ook niet zijn gebaseerd op rapportages van het Uwv. Overigens is het de Raad ook niet duidelijk waar de voorgestelde urenbeperking op stoelt.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de eigen functie van appellante als medisch geschikt moet worden aangemerkt.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

GdJ