Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9503

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
05-2957 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2957 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 april 2005, 04/890 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 26 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellant is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker in een rubberfabriek. Hij is op 4 oktober 2001 uitgevallen met hartklachten. Met ingang van 3 oktober 2002 is appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. In het kader van de wettelijke eerstejaarsherbeoordeling is appellant op 14 november 2003 gezien door de verzekeringsarts E.A. Michel. Deze constateert in zijn rapport van dezelfde datum dat appellants fysieke inspanningstolerantie het afgelopen jaar is verbeterd. Hij loopt en fietst dagelijks. Zijn angsten zijn fors afgenomen en belemmeren hem niet meer. Aangezien zijn hart door een myocardinfarct blijvende schade heeft opgelopen blijft appellant ongeschikt voor zware lichamelijke arbeid en werk met piekbelastingen. Wegens zijn verbeterde conditie zullen de beperkingen voor lopen, traplopen en duwen en trekken iets worden aangepast. De overige beperkingen blijven zoals aangegeven bij de medische beoordeling van 6 november 2002. Het voorgaande heeft uitwerking gevonden in de kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (kFML) van eveneens 14 november 2003. Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige J.T. Hovingh met behulp van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd. Hovingh berekende, blijkens zijn rapport van 31 maart 2004, het verlies aan verdienvermogen van appellant op 38,7%.

In overeenstemming hiermede heeft het Uwv bij besluit van 8 april 2004 de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 juni 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Namens appellant is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts M.A. Peerden de belastbaarheid van appellant opnieuw in kaart gebracht. In zijn rapportage van 28 juli 2004 concludeert hij dat er geen gronden zijn om aan de plausibiliteit van de primaire medische beoordeling te twijfelen. De beoordeling kan medisch verantwoord in stand blijven.

Daarop heeft het Uwv bij besluit van 6 augustus 2004 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 6 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant in het bestreden besluit onderschreven. De rechtbank heeft zich tevens verenigd met de arbeidskundige grondslag daarvan.

In hoger beroep wordt namens appellant het standpunt ingenomen dat hij op medische en arbeidskundige gronden volledig, althans meer dan 45% arbeidsongeschikt moet worden geacht. Hij acht zich, ondanks zijn verbeterde conditie, niet toegenomen belastbaar. Daarnaast meent hij dat het Uwv bij het selecteren van functies van een verkeerd opleidingsniveau is uitgegaan. Ten slotte acht appellant de overschrijding op het aspect tillen in de functie productiemedewerker industrie niet verwaarloosbaar.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid van appellant tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Evenals de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden komt ook de Raad tot het oordeel dat niet is kunnen blijken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Peerden geaccordeerde kFML, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Michel, geen juiste weergave vormt van de bij appellant ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De Raad heeft daarbij mede betekenis toegekend aan de brief van de cardioloog dr. B.J.G.L. de Smet van 24 februari 2004, met bijlage, waaruit blijkt van een goede belastbaarheid van het hart en onverklaarbare pijn op de borst.

Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een ander licht werpen op zijn gezondheidstoestand op het tijdstip dat in geding is.

De Raad onderschrijft wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.

GdJ