Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
06-3273 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Vermogen verzwegen. Woonadres juist opgegeven?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3273 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 april 2006, 05/3999 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.G.M. Haase, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haase. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving van het College in de periode van 30 juni 2001 tot en met 15 november 2002 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst over de inkomsten van appellant over 2001 en 2002 heeft het College door de afdeling Bijzonder onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten nader onderzoek laten verrichten naar het recht op bijstand van appellant. In het kader van dit onderzoek is looninformatie opgevraagd bij diverse uitzendbureaus. Uit de verkregen informatie is het College gebleken dat appellant over de periode van 2 oktober 2001 tot en met 14 november 2002 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen, waarvan door hem aan het College geen mededeling is gedaan. Voorts is het College uit het onderzoek gebleken dat appellant twee op zijn naam staande bankrekeningen heeft verzwegen en dat hij over de periode van 25 november 2001 tot en met 16 december 2001 in de gemeentelijke basisadministratie in Zoetermeer stond ingeschreven.

Bij besluit van 22 december 2004 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 2 oktober 2001 tot en met 14 november 2001 (lees: 2002) herzien c.q. ingetrokken op de grond dat appellant de hiervoor bedoelde inkomsten niet heeft opgegeven en appellant in de periode van 25 november 2001 tot en met 16 december 2001 niet in de gemeente ’s-Gravenhage woonachtig was, als gevolg waarvan aan hem tot een te hoog bedrag uitkering is verleend. Bij hetzelfde besluit heeft het College de over de eerstgenoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.559,98 van appellant teruggevorderd.

Bij besluit van 28 april 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 december 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij betwist dat hij ten tijde in geding bij bedoelde uitzendbureaus werkzaamheden heeft verricht. In dit verband heeft hij er op gewezen dat mogelijk misbruik is gemaakt van zijn sofinummer, waarvan hij op 20 oktober 2005 bij de politie aangifte heeft gedaan. Verder zou zijn neef

[P.] met zijn toestemming gebruik hebben gemaakt van zijn bankrekeningen. Ten slotte heeft appellant betwist dat hij gedurende de periode van 25 november 2001 tot en met 16 december 2001 niet in de gemeente ’s-Gravenhage woonachtig was.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is van oordeel dat het College op basis van de verkregen informatie van de Belastingdienst en de bij de diverse uitzendbureaus opgevraagde looninformatie op goede gronden heeft aangenomen dat appellant in de periode hier in geding inkomsten uit arbeid heeft genoten. Het is vervolgens aan appellant om feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat, ondanks deze informatie, het College niet bevoegd was de bijstand over de betreffende periode aan de hand van die informatie te herzien en over die periode gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant hierin niet is geslaagd. Dat misbruik is gemaakt van het sofinummer van appellant heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken. Dit geldt te meer nu appellant eerst op 20 oktober 2005 aangifte bij de politie heeft gedaan ter zake van misbruik van zijn sofinummer, terwijl het gezien de stelling van appellant voor de hand had gelegen dat hij reeds na de ontvangst van de aan hem geadresseerde van de uitzendbureaus afkomstige loonstroken, dan wel toch in ieder geval kort na de ontvangst van het primaire besluit van 22 december 2004 dienaangaande stappen had ondernomen. De door appellant hiervoor gegeven verklaring, inhoudend dat hij deze kwestie eerst wilde afhandelen met de Belastingdienst, acht de Raad niet steekhoudend. Voorts heeft appellant geen verifieerbare gegevens kunnen overleggen waaruit zou kunnen blijken dat hij de uitzendbureaus in kwestie om een verklaring heeft gevraagd dat hij daar niet gewerkt heeft. Dat op de loonstroken van enkele uitzendbureaus een ander sofinummer staat vermeld brengt de Raad niet tot een ander oordeel, nu de betreffende loonstroken op naam van appellant staan, aan hem geadresseerd zijn en de inkomsten uit de betreffende werkzaamheden naar een van de op naam van appellant staande rekeningen zijn overgemaakt. Dat het daarbij zou gaan om inkomsten van zijn neef [P.] heeft appellant niet met objectieve en verifieerbare gegevens kunnen aantonen.

Met betrekking tot het standpunt van het College dat appellant in de periode van 25 november 2001 tot en met 16 december 2001 niet in de gemeente ’s-Gravenhage woonachtig was merkt de Raad het volgende op.

In artikel 40, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat het recht op bijstand bestaat jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (zie TK 2002-2003, 28 870, nr.3, p.6) wordt de woonplaats van de belanghebbende vastgesteld op grond van de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek. Uit deze artikelen volgt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich in zijn woonstede bevindt, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf. Een natuurlijk persoon verliest zijn woonstede door daden, waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven. Een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op wettelijk voorgeschreven wijze aan de betrokken gemeentebesturen heeft kennis gegeven.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt de vraag waar iemand zijn woonplaats heeft beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Het feit dat een natuurlijk persoon zich laat uitschrijven uit een gemeente en in een andere laat inschrijven doet het vermoeden ontstaan dat hij zijn woonstede heeft verplaatst. Het is aan de betrokkene om aan te tonen dat hij desondanks niet feitelijk is verhuisd naar die andere gemeente en daar niet zijn werkelijke verblijf heeft. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. De stelling van appellant dat de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie in Zoetermeer het gevolg is van ambtelijke traagheid in de verwerking van de gegevens acht de Raad onbegrijpelijk, nu appellant zich zelf in genoemde periode uit de gemeentelijke basisadministratie van

’s-Gravenhage heeft laten uitschrijven en zich heeft ingeschreven in Zoetermeer.

Appellant heeft, in strijd met de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw van de hiervoor vermelde inkomsten en van zijn inschrijving in de gemeente Zoetermeer geen mededeling aan het College gedaan. Als gevolg daarvan is aan appellant over de in geding zijnde periode tot een te hoog bedrag respectievelijk ten onrechte bijstand verleend.

Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot herziening c.q. intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 2 oktober 2001 tot en met 14 november 2002. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot herziening dan wel intrekking van de bijstand heeft kunnen besluiten.

Met het voorgaande is gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om de over die periode gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. Uit het Beleid terug- en invordering, zoals neergelegd in het werkboek WWB, blijkt dat het College in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand overgaat en van invordering om administratieve redenen slechts afziet indien het bedrag lager is dan

€ 113,--. Voorts kan in individuele gevallen van terugvordering worden afgezien in geval van dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Het College heeft met zijn besluit tot terugvordering overeenkomstig het beleid gehandeld. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die het College aanleiding hadden behoren te geven om, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, in zijn geval van dit beleid af te wijken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2007.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A.C. Palmboom.