Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
12-07-2007
Zaaknummer
05-2114 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Geschikt voor eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2114 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2005, 04/3135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 11 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was via een uitzendbureau werkzaam als douanehulp bij de containeroverslag in de Rotterdamse haven voor

40 uur per week. Op 1 juni 2004 is hij uitgevallen met, onder meer, vermoeidheidsklachten. Na medisch onderzoek op

23 juni 2004 heeft verzekeringsarts P.C. Lafeber hem per 2 augustus 2004 hersteld verklaard. Bij besluit van 25 juni 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 2 augustus 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Appellant heeft op 2 augustus 2004 zijn werkzaamheden hervat, maar is na een uur weer uitgevallen. Op 30 augustus 2004 is appellant op het spreekuur van Lafeber geweest, die hem per 31 augustus 2004 hersteld verklaarde. Vervolgens heeft het Uwv, onder intrekking van het besluit van 25 juni 2004, bij besluit van 31 augustus 2004 geweigerd appellant met ingang van 31 augustus 2004 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Bij besluit van 28 september 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellant is in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat de uitspraak van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd, onzorgvuldig is en niet strookt met de medische bevindingen van de behandelend artsen. Ook de onderzoeken van de verzekeringsartsen van het Uwv acht appellant onzorgvuldig.

De Raad oordeelt als volgt.

Het Uwv heeft op 16 april 2007, derhalve binnen de tien dagen termijn als bedoeld in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), per faxbericht nog een rapportage toegezonden van bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 16 april 2007. Deze rapportage is op dezelfde dag ook naar de gemachtigde van appellant gefaxt. De Raad heeft besloten deze rapportage bij zijn beoordeling te betrekken, nu deze rapportage in hoofdzaak gegevens bevat die bij het verweerschrift reeds door het Uwv waren vermeld.

Blijkens het in hoger beroep ingezonden huisartsjournaal heeft appellant zich op 8 juni 2004 bij zijn huisarts gemeld. Nadat een bloedonderzoek was verricht concludeerde deze tot een oude infectie met EBV (ziekte van Pfeiffer). Naar blijkt uit de medische kaart heeft verzekeringsarts Lafeber bij zijn onderzoek op 23 juni 2004 op basis van dezelfde diagnose overwogen dat een patiënt met deze ziekte vanwege het risico van een gescheurde milt gedurende 2 maanden niet zwaar moet tillen. Aangezien appellant in zijn werk tot 60 kg moest tillen, verklaarde Lafeber appellant op een termijn van twee maanden na datum uitval hersteld.

Op 5 augustus 2004 is appellant weer op het spreekuur van zijn huisarts geweest vanwege moeheidklachten. Uit het huisartsjournaal blijkt dat de huisarts hem aanraadde te proberen met die klachten om te gaan. Bij het onderzoek door Lafeber op 30 augustus 2004 uitte appellant dezelfde klachten. Bij lichamelijk onderzoek vond Lafeber bij appellant echter geen afwijkingen. Appellant maakte ook geen zieke indruk. Appellant vertelde dat ook zijn huisarts bij recent onderzoek niets meer had kunnen ontdekken. Lafeber concludeerde vervolgens dat appellant op 2 augustus 2004 arbeidsgeschikt was, maar ging uit zorgvuldigheidsoverwegingen – appellant was pas 4 weken na de hernieuwde ziekmelding voor onderzoek opgeroepen – akkoord met een uitkering van ziekengeld tot en met 30 augustus 2004. Bezwaarverzekeringsarts

J.C. Weegink heeft in een rapport van 22 september 2004 de conclusie van Lafeber op basis van dossieronderzoek

– appellant heeft afgezien van een hoorzitting – bevestigd.

De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd onvoldoende aanleiding het oordeel van Lafeber en Weegink ten aanzien van de gezondheidstoestand van appellant op 30 augustus 2004 niet te volgen.

Dat appellant zich blijkens het huisartsjournaal op 30 augustus 2004 weer bij zijn huisarts heeft gemeld, zij het nu met psychische klachten waarvoor hem medicijnen zijn voorgeschreven, maakt dit niet anders. In dit verband wijst de Raad erop dat naar blijkt uit de medische kaart Lafeber bij zijn onderzoek op 30 augustus 2004 de psychische toestand van appellant heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat van psychische problematiek geen sprake was. Appellant heeft bij dat onderzoek ook geen melding gemaakt van psychische klachten. Dat appellant later, in oktober 2004, wegens psychische klachten door zijn huisarts is verwezen naar een psychiater doet aan het vorenstaande niet af. Immers, uit het verweerschrift en de nadere rapportage van Weegink van 16 april 2007 blijkt dat de door de huisarts op 30 augustus 2004 voorgeschreven medicatie in oktober 2004 door de psychiater van het Erasmus Medisch Centrum is gestaakt, omdat deze medicatie geen effect had op de klachten. Bovendien heeft deze psychiater toen geen diagnose kunnen stellen. Dat begin 2005 sprake is geweest van ernstige psychische klachten, kan bij de beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant per 31 augustus 2004 geen rol spelen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat appellant per 31 augustus 2004 terecht geschikt is geacht voor zijn werk bij de douane. Gelet daarop slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en M.C. Bruning en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2007.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) M. Gunter.