Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9348

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
06/3760 WWB, 06/3761 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/3760 WWB

06/3761 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 mei 2006, 05/3007 en 05/3851 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.M.S. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2007. Voor appellante is mr. Koot verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Hartwig, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante is in februari 2001 gescheiden en ontving met ingang van 9 mei 2000 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een anonieme tip van 10 februari 2004, inhoudende dat appellante al bijna twee jaar samenwoont met [J.] (hierna: [J.]), die de vader zou zijn van haar begin 2004 geboren derde kind, is ten aanzien van appellante een administratief onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek, waarvan op 6 augustus 2004 een rapport is opgemaakt, kwam onder meer naar voren dat [J.] het zoontje van appellante heeft erkend, dat het geschatte waterverbruik in de woning van appellante over 2003 overeenkomt met een gebruik van vier personen, en dat voor het pand [adres 1] waar [J.] staat ingeschreven, geen waterverbruik bekend is omdat het een leegstaand pand zou zijn. In verband met het gerezen vermoeden van samenwoning hebben twee medewerkers van de afdeling bijzonder onderzoek van de Dienst Sociale zaken en Werkgelegenheidsprojecten op 10 augustus 2004 een huisbezoek afgelegd in de woning van appellante. Zoals blijkt uit het rapport van 10 augustus 2004 van dit huisbezoek is [J.] slapend in de woning aangetroffen. In de slaapkamer en de wasmand waren enkele kledingstukken van [J.] aanwezig. In een kastje in de slaapkamer lag een aan hem op het adres [adres 1] geadresseerde brief. Voorts zijn in de woning een opvouwbare kledingkast gevuld met herenkleding en enkele toiletartikelen aangetroffen. Appellante heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat [J.] regelmatig, maar niet dagelijks bij haar over de vloer komt, dat hij sinds de vorige avond bij haar was omdat zij te ziek was om voor haar jongste kind te zorgen en dat de toiletartikelen en de in een kast aangetroffen herenkleding toebehoorden aan haar ex-man. Na het huisbezoek hebben de medewerkers gesproken met een van de buren van [J.] aan de [adres 1]. Deze verklaarde dat de huurder van de woning er niet woont, af en toe zijn post afhaalt en de woning zou onderverhuren.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om de betaling van de bijstand aan appellante per 1 augustus 2004 stop te zetten en appellante op 19 augustus 2004 in een gesprek met het voornemen tot beëindiging van de bijstand te confronteren. Het verslag van 23 augustus 2004 van dat gesprek vermeldt over de inhoud daarvan dat er geen nieuwe feiten naar boven kwamen, dat appellante het vermoeden van samenwoning niet bevestigde maar ook niet sterk kon ontkrachten en dat zij heeft verteld hoe zij [J.] heeft ontmoet.

Bij besluit van 24 augustus 2004 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2004 beëindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat zij, in tegenstelling tot haar eigen verklaring, een gezamenlijke huishouding voert met [J.].

Op 13 september 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend om bijstand. Bij besluit van 22 september 2004 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante na de beslissing van 24 augustus 2004 geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij nu recht heeft op een uitkering.

Bij besluit van 5 april 2005 heeft het College de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 24 augustus 2004 en

22 september 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen het besluit van 5 april 2005 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat de aan appellante verleende bijstand bij het primaire besluit van 24 augustus 2004 is ingetrokken, dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode en dat het College deze intrekking per 1 augustus 2004 bij het besluit op bezwaar van 5 april 2005 onverkort heeft gehandhaafd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 augustus 2004 tot en met 24 augustus 2004.

Zoals de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld, is gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de vraag of appellante en [J.] gedurende de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden slechts van belang of appellante en [J.] beiden hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, in dit geval de woning van appellante.

Anders dan de rechtbank en het College is de Raad tot het oordeel gekomen dat de beschikbare onderzoeksgegevens geen toereikende grondslag bieden om die vraag bevestigend te beantwoorden. Daartoe heeft de Raad het volgende overwogen.

Het standpunt van het College dat [J.] vanaf 1 augustus 2004 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante berust in hoofdzaak op de bevindingen van het op 10 augustus 2004 afgelegde huisbezoek. De Raad stelt vast dat het feit dat [J.] op dat moment in de woning was en daar ook enkele aan hem toebehorende kledingstukken en een brief zijn aangetroffen op zichzelf genomen onvoldoende grond oplevert voor het oordeel dat [J.] daar ook zijn hoofdverblijf heeft. Voor de in een kast aangetroffen herenkleding en de aanwezige toiletartikelen heeft appellante een verklaring gegeven die op grond van de beschikbare gegevens niet als zonder meer ongeloofwaardig terzijde kan worden gesteld. De overige onderzoeksbevindingen, waaronder de verklaring van een buurman van [J.], bevatten evenmin voldoende concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat [J.] zijn hoofdverblijf niet heeft op het adres aan de [adres 1], maar bij appellante. Hoewel de onderzoeksbevindingen het vermoeden bevestigen dat [J.] meer bij appellante verbleef dan zij heeft verklaard, zijn deze naar het oordeel van de Raad ontoereikend om de conclusie van het College te kunnen dragen dat [J.], beoordeeld naar de hier relevante periode van 1 tot en met 24 augustus 2004, zijn hoofdverblijf bij appellante had.

Het voorgaande brengt mee dat het besluit van 5 april 2005, voor zover daarbij het besluit tot intrekking van de bijstand ingaande 1 augustus 2004 is gehandhaafd, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet berust op een deugdelijke grondslag.

Aan de (handhaving van de) afwijzing van de aanvraag van appellante van 13 september 2004 ligt het uitgangspunt ten grondslag dat zij geen recht heeft op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen moet dit uitgangspunt naar het oordeel van de Raad - achteraf bezien - onjuist worden geacht.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de tegen het besluit van 5 april 2005 ingestelde beroepen gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om de primaire besluiten van 24 augustus 2004 en

22 september 2004 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen omdat deze op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berusten.

Ten slotte ziet de Raad aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,00 in bezwaar, € 644,00 in beroep en op € 644,00 in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 april 2005;

Herroept de besluiten van 24 augustus 2004 en 22 september 2004;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,-- te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken op 10 juli 2007.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) A.C. Palmboom.