Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
11-07-2007
Zaaknummer
06-4331 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand voor een aanschaf van een wasmachine. Bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening. Beleid gemeente Nijmegen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 48
Wet werk en bijstand 51
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/249
JWWB 2007, 285
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4331 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 juli 2006, 05/8778 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 10 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 mei 2007. Partijen zijn daar niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan appellante, geboren [in] 1981, is op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 1 januari 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend.

Appellante heeft bij brief van 30 juni 2005 bijzondere bijstand aangevraagd voor de aanschaf van een wasmachine. De oude was defect en kon niet meer worden gerepareerd.

Het College heeft bij brief van 11 juli 2005 kennis gegeven van zijn besluit om de aangevraagde bijzondere bijstand tot een bedrag van € 438,-- toe te kennen in de vorm van een geldlening.

Het bezwaar van appellante dat de bijzondere bijstand ten onrechte is toegekend in de vorm van een geldlening, is bij besluit van 1 november 2005 ongegrond verklaard. Het College stelt zich op het standpunt dat het beleid voorschrijft dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen aan personen tot de leeftijd van 65 jaar verleend wordt in de vorm van een geldlening. Appellante behoort niet tot die categorie. Het gemaakte onderscheid berust op het gegeven dat ouderen vaak met hoge bestaanskosten worden geconfronteerd zonder uitzicht te hebben op inkomensverbetering. Ouderen komen bovendien niet in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag. Appellante kan door middel van werkaanvaarding wel binnen een afzienbare termijn inkomensverbetering bewerkstelligen. Om dat mogelijk te maken kan zij een beroep doen op kinderopvang. Wat de aflossing betreft wordt voor een alleenstaande ouder een vast bedrag van € 46,-- per maand gehanteerd. Bij het vaststellen van de hoogte van dit bedrag is ervan uitgegaan dat 10 procent van de bijstandsnorm geacht wordt beschikbaar te zijn voor de aflossing van schulden. Het bedrag van € 46,-- is minder dan de helft van dat bedrag.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2005 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het gevoerde beleid niet onredelijk is. Het College heeft zich naar haar oordeel terecht op het standpunt gesteld dat de situatie van appellante niet gelijk is aan die van een persoon ouder dan 65 jaar nu niet gebleken is dat appellante in de nabije toekomst geen zicht heeft op inkomensverbetering. Evenmin is gebleken dat appellante, evenals ouderen, geconfronteerd wordt met hogere bestaanskosten. De door appellante aangevoerde omstandigheden zijn door de rechtbank niet aangemerkt als bijzondere omstandigheden die afwijking van het beleid kunnen rechtvaardigen. Wat de bezwaarcommissie sociale voorzieningen (hierna: commissie) betreft, die het College geadviseerd heeft over het op het bezwaar van appellante te nemen besluit, heeft de rechtbank overwogen dat niet gebleken is dat deze commissie niet voldoet aan de vereisten neergelegd in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 48, eerste lid, van de WWB schrijft voor dat, tenzij in deze wet anders is bepaald, de bijstand wordt verleend om niet. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van de WWB kan bijzondere bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht, dan wel in de vorm van een bedrag om niet. Het tweede lid van artikel 51 van de WWB geeft regels omtrent de afstemming van de aflossingsbedragen en de termijn van de aflossing van de geldlening.

In dit geding staat vast dat de aanvraag van appellante de kosten van duurzame gebruiksgoederen betreft. Het College was derhalve bevoegd de gevraagde bijzondere bijstand toe te kennen in de vorm van een geldlening.

De Raad is van oordeel dat het door het College ter uitoefening van deze bevoegdheid gevoerde beleid inhoudende dat bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen aan personen onder de leeftijd van 65 jaar in de vorm van een geldlening wordt verleend, anders dan door appellante in hoger beroep is gesteld, niet in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel, nu het gemaakte onderscheid op een objectieve redelijke grond berust. De Raad kan zich verenigen met de op dit punt in het besluit van 1 november 2005 gegeven motivering. Dat in de gemeente Nijmegen een ander beleid gevoerd zou worden met betrekking tot de vorm waarin de bijzondere bijstand verleend wordt, zoals door appellante verder is aangevoerd, betekent niet dat het door het College gevoerde beleid om die reden onrechtmatig zou moeten worden gevonden, nu de WWB voorziet in een gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven. Ook voor het overige heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het beleid van het College de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat de kosten van aanschaf van duurzame gebruiksgoederen als hier aan de orde moeten worden gerekend tot de algemene kosten van het bestaan waarvoor de betrokkene zonodig kan en dient te reserveren.

De Raad stelt vast dat het College overeenkomstig zijn beleid heeft gehandeld.

Appellante heeft niet door middel van concrete en verifieerbare feitelijke gegevens aannemelijk gemaakt dat in haar situatie sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat het College daarin aanleiding had moeten vinden om de bijzondere bijstand in afwijking van het beleid om niet te verlenen. Dat appellante met Eneco een afbetalingsregeling heeft getroffen voor € 450,-- energiekosten is, in aanmerking genomen de in de bijstandsnorm aanwezige ruimte van circa 10% voor reservering voor duurzame gebruiksgoederen, niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er ook nog andere schulden waren, zodanig dat het aangaan van opnieuw een lening niet verantwoord kan worden geacht. Dat appellante niet binnen afzienbare termijn inkomensverbetering zou kunnen realiseren omdat zij thans geen kinderopvang heeft, merkt de Raad evenmin als een bijzondere omstandigheid aan. Hetzelfde geldt voor het standpunt dat appellante thans, gezien de duur van haar werkloosheid, niet in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag, omdat dit voor iedere bijstandsgerechtigde geldt aan wie nog geen vijf jaar bijstand is verleend.

De grief dat de commissie ondeskundig is, treft geen doel. Appellante heeft haar standpunt dienaangaande niet met concrete verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat zij zich niet kan verenigen met bepaalde standpunten van (de leden van) die commissie, betekent niet dat de leden ervan niet deskundig zijn als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Verordening bezwaarschriftencommissie sociale voorzieningen 2005 van de gemeente Zoetermeer. Een deel van de stellingen van appellante dienaangaande betreft de bejegening die zij tijdens het horen stelt te hebben ervaren. Wanneer zij daarover klachten heeft, staat het haar vrij daarover een klacht in te dienen als bedoeld in artikel 9:1, eerste lid, van de Awb.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.M. van Male en K. Zeilemaker als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2007.

(get.) Th.C. van Sloten

(get.) L. Jörg