Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9157

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
05-4461 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. In hoger beroep deugdelijke toelichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4461 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]t (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 juni 2005, 04/2414 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.L. Marcus-Daniëls, advocaat te Rijen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Daniëls, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellante, geboren op 26 mei 1959, is werkzaam geweest als productiemedewerkster. Op 19 oktober 1998 is zij uitgevallen met psychische klachten en migraine. Na afloop van de wachttijd is haar met ingang van 18 oktober 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

In het kader van een herbeoordeling is appellante op 21 november 2002 onderzocht door de verzekeringsarts G. Sprenkels. In zijn rapport van 2 december 2002 is hij tot de conclusie gekomen dat appellante als gevolg van haar klachten beperkingen heeft en met inachtneming van deze beperkingen heeft deze arts de functionele mogelijkheden van appellante vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In deze lijst is onder meer vastgesteld dat appellante gemiddeld niet meer dan ongeveer 4 uur per dag kan werken. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C.A.M.R. Lammerse op

18 maart 2003 rapport uitgebracht en appellante geschikt geacht voor een aantal functies. Op basis van drie van deze functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 45-55%. In overeenstemming met dit rapport is appellante bij besluit van 23 april 2003 meegedeeld dat haar uitkering met ingang van 19 mei 2003 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat zij derhalve de geselecteerde functies niet kan uitoefenen. Tevens heeft zij er op gewezen dat zij veel medicijnen slikt. Ter ondersteuning van haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen heeft zij een verklaring van haar huisarts, haar behandelend longarts en haar behandelend neuroloog overgelegd.

Nadat de bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels nog (nadere) medische informatie had opgevraagd bij de behandelende sector, heeft zij in haar rapport van

23 augustus 2004 de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven met dien verstande dat zij de in de FML vastgelegde urenbeperking als een tikfout heeft beschouwd. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards in zijn rapport van 3 september 2004 te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met het rapport van de voornoemde arbeidsdeskundige Lammerse. Bij besluit van

12 oktober 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellante onder meer gesteld dat een verlaging van de mate van arbeidsongeschiktheid een verbetering in de lichamelijke en geestelijke gesteldheid impliceert en daar geen sprake van is. Voorts heeft zij er op gewezen dat het Uwv heeft verzuimd informatie uit de behandelende sector op te vragen en dat acht zij onzorgvuldig. Voor het overige heeft zij haar eerdere in de procedure naar voren gebrachte grieven gehandhaafd.

Nadat door het Uwv op verzoek de voor appellante vastgestelde arbeidsmogelijkheden-lijst van 17 maart 2003 aan de rechtbank was toegezonden, heeft appellante bij schrijven van 29 april 2005 de rechtbank nog nadere medische informatie uit de behandelende sector verstrekt. Daarop is van de zijde van het Uwv nog gereageerd, onder meer door een rapport van de bezwaarverzekeringsarts L. Greveling.

De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen. Met name is naar haar mening in onvoldoende mate rekening gehouden met haar beperkingen die voortvloeien uit haar migraine en haar slaapstoornis. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij nog nadere medische informatie ingebracht van haar huisarts en haar behandelend neuroloog, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd door middel van een nader rapport van de voornoemde bezwaarverzekerings-arts Greveling.

Bij schrijven van 5 maart 2007 heeft het Uwv nog een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van appellante voor de geselecteerde functies door middel van een nader rapport d.d. 2 maart 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards.

Nadien heeft appellante nog nadere medische gegevens ingebracht, waar namens het Uwv wederom de voornoemde bezwaarverzekeringsarts Greveling op heeft gereageerd.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de verzekeringsartsen omtrent de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Met de stelling van appellante dat, naast haar longklachten en psychische klachten, onvoldoende rekening is gehouden met haar migraine en slaapstoornis kan de Raad zich niet verenigen. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit zowel het voormelde rapport

d.d. 2 december 2002 van de verzekeringsarts Sprenkels als uit het voormelde rapport d.d. 23 augustus 2004 van de bezwaarverzekeringsarts Van Thillo-Nadels dat bij het vaststellen van de belastbaarheid, naast haar longklachten en psychische klachten, rekening is gehouden met de slaapstoornis en migraine. Evenmin kan de Raad appellante volgen in haar stelling dat het Uwv heeft verzuimd informatie in te winnen bij de behandelende sector. De gedingstukken wijzen in voldoende mate uit dat deze verzekeringsartsen bij de totstandkoming van hun rapporten de beschikking hadden over informatie uit de behandelende sector. De Raad is dan ook niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellante onzorgvuldig is geweest en dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Op grond van de nadien door appellante nog ingebrachte medische informatie is de Raad niet tot een ander oordeel gekomen. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

De stelling van appellante dat zij niet geschikt is voor de geselecteerde functies kan de Raad evenmin onderschrijven, zij het dat de Raad van oordeel is dat een deugdelijke toelichting en motivering waarom deze functies passend zijn geacht voor appellante eerst in hoger beroep is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige Wijngaards. Naar het oordeel van de Raad zijn door hem met zijn rapport van 2 maart 2007 de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid in de geselecteerde functies uiteindelijk voldoende gemotiveerd en is hiermee op adequate wijze inzicht geboden in en voldoende mogelijkheid tot toetsing verschaft van de arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting in het onderhavige geval berust. Vastgesteld kan worden dat appellante geschikt moet worden geacht voor de voor haar geselecteerde functies, waarmee de schatting op goede gronden berust.

De Raad stelt vast dat in hoger beroep uiteindelijk het bestreden besluit van een toereikende en juiste motivering is voorzien. In verband hiermee dient het bestreden besluit te worden vernietigd maar kunnen tevens, gegeven het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel in stand worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in eerste aanleg en op € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht van € 140,-- aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.A. Huizer.