Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9153

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
05-5273 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/5273 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juli 2005, 05/674 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.K. Kuipers, verbonden aan de Utrechtse Juristen Groep B.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is voor gemiddeld 32,2 uur per week werkzaam geweest als meewerkend voorvrouw bij een schoonmaakbedrijf. Zij heeft zich op 6 mei 2002 ziek gemeld in verband met een hoge bloeddruk en spanningsklachten. Per 5 mei 2003 heeft het Uwv haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, later gecorrigeerd naar 80 tot 100%.

Appellante is in het kader van een eerstejaars herbeoordeling op 14 juni 2004 onderzocht door de verzekeringsarts

M.C. Lammerts van Bueren. Zij acht een zogenoemde urenbeperking van maximaal 20 uur per week aangewezen en heeft de arbeidsbeperkingen van appellante vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige

H. van Hest is blijkens zijn rapport van 26 juli 2004 van mening dat appellante haar eigen werkzaamheden niet meer kan verrichten, maar met haar beperkingen wel in staat moet worden geacht een aantal gangbare functies uit te oefenen. Daarmee kan zij een zodanig inkomen verwerven, dat haar verlies aan verdienvermogen ongeveer 38% bedraagt.

Bij besluit van 19 augustus 2004 heeft het Uwv vervolgens de WAO-uitkering van appellante per 27 september 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Naar aanleiding van de schriftelijke en tijdens de hoorzitting geuite bezwaren van appellante tegen dit besluit heeft de bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg de beperkingen van appellante opnieuw beoordeeld en enigszins aangepast opgenomen in de FML van 9 december 2004. Zij heeft daartoe ook telefonisch contact met de huisarts van appellante opgenomen. Gelet op de inhoud van zijn rapport van 13 december 2004, is de bezwaararbeidsdeskundige

W.G.E. Buskermolen van mening dat appellante ook met deze aangepaste beperkingen in staat moet worden geacht de haar voorgehouden functies te verrichten.

Bij besluit van 20 december 2004 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 19 augustus 2004 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Ook de arbeidskundige grondslag van het besluit heeft de rechtbank als voldoende beoordeeld.

In hoger beroep is namens appellante – samengevat – aangevoerd dat de in de bezwaarprocedure gewijzigde beperkingen van appellante, met name ten aanzien van het aspect “lopen”, onvoldoende zijn gemotiveerd en dat zij ten onrechte niet de gelegenheid heeft gehad op die nieuwe beperkingen te reageren. Appellante is voorts van mening dat zij de voor haar geselecteerde functies met haar beperkingen niet kan verrichten en dat door het Uwv onvoldoende is gemotiveerd dat de belasting van de functies haar belastbaarheid niet overschrijdt.

De Raad oordeelt als volgt.

Evenmin als de rechtbank en met overneming van de betreffende overwegingen, ziet de Raad aanknopingspunten voor het oordeel dat de arbeidsbeperkingen van appellante door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn onderschat. Ten aanzien van de grief van appellante met betrekking tot het aspect “lopen” overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts

P.L.M. Momberg in haar rapportage van 8 november 2005 overtuigend heeft gemotiveerd waarom zij de door de door de verzekeringsarts Lammerts van Bueren geformuleerde urenbeperking en de beperking voor lopen heeft overgenomen. Van de zijde van appellante zijn ook geen gegevens ingebracht die aan de juistheid daarvan doen twijfelen.

De verdiencapaciteit van appellante, op basis waarvan het bestreden besluit is genomen, is in de eerste plaats door het Uwv gebaseerd op haar geschiktheid voor de functies van productiemedewerker textiel (Sbc code 272043), textielproductenmaker (Sbc code 111160) en productiemedewerker (Sbc code 111180). De overige functies kassamedewerker, assistent consultatiebureau en postbesteller zijn aanvullend geselecteerd.

Met betrekking tot de beide eerstgenoemde functies is namens appellante aangevoerd dat appellante beperkt is ten aanzien van het werken in een stoffige omgeving en dat onvoldoende is komen vast te staan dat de beide functies met die beperking kunnen worden uitgeoefend. Hieromtrent is door de bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg in haar rapport van

8 november 2005 gesteld dat appellante niet allergisch is voor huisstofmijt, zodat er geen aanleiding is de genoemde functies om die reden niet geschikt te achten. Bovendien blijkt uit de rapportage d.d. 13 december 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige W.G.E. Buskermolen dat dit aspect is besproken met de bezwaarverzekeringsarts met als conclusie dat de functies door appellante kunnen worden uitgeoefend. Van de zijde van appellante zijn geen gegevens ingebracht die de Raad hieromtrent doen twijfelen.

Met betrekking tot de functie van productiemedewerker is namens appellante aangevoerd dat deze op het aspect reiken te belastend is voor appellante. Naar het oordeel van de Raad is dit door verweerder in het verweerschrift voldoende overtuigend weersproken, onder verwijzing naar het overleg d.d. 12 juli 2004 van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, en door er op te wijzen dat het gaat om de combinatie van de reikafstand en de frequentie van het reiken.

Hieruit volgt dat de aan de drie genoemde functies verbonden werkzaamheden naar het oordeel van de Raad door appellante met haar beperkingen moeten kunnen worden verricht. Dat houdt tevens in dat de grieven van appellante die zijn gericht tegen haar geschiktheid voor de andere functies, geen bespreking meer behoeven.

Met betrekking tot de grief dat appellante op de door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste FML had moeten kunnen reageren overweegt de Raad als volgt. Reeds nu in het kader van de heroverweging in bezwaar van het besluit van

19 augustus 2004 geen gebruik is gemaakt van nieuwe feiten en omstandigheden die aan appellante niet bekend waren, was het niet noodzakelijk haar de gelegenheid te bieden nader te reageren, alvorens te beslissen op haar bezwaren.

Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.