Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9144

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
05-2821 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering na detentie te heropenen, aangezien geen sprake meer is van arbeidsongeschiktheid.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 47b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/227
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2821 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 april 2005, 04/1687 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.M. Pessers, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pessers, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren op 1 oktober 1961, is werkzaam geweest in de productie van een computerassemblagebedrijf, waar hij op 14 februari 2001 is uitgevallen wegens rugklachten. Na afloop van de wachttijd is hem met ingang van 13 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

Bij besluit van 26 maart 2002 heeft het Uwv deze uitkering op grond van het bepaalde in artikel 43, vijfde lid, van de WAO met ingang van 19 maart 2003 ingetrokken, omdat appellant vanaf 19 februari 2002 gedetineerd was. Nadat appellant met ingang van

4 december 2003 in vrijheid was gesteld, heeft hij verzocht wederom in aanmerking te komen voor een WAO-uitkering.

Naar aanleiding van dit verzoek is appellant op 9 januari 2004 onderzocht door de verzekeringsarts F.P.M. Schlosser. In zijn rapport van dezelfde datum is hij tot de conclusie gekomen dat appellant als gevolg van zijn rug-, nek- en schouderklachten beperkingen heeft en met inachtneming van deze beperkingen heeft deze arts de functionele mogelijkheden van appellant vastgelegd in een zogeheten (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige

J. Jacobs op 5 februari 2004 rapport uitgebracht. Hij heeft appellant niet meer geschikt geacht voor zijn eigen werk maar nog wel geschikt voor een aantal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met dit rapport is appellant bij besluit van

13 februari 2004 meegedeeld dat zijn WAO-uitkering per 4 december 2003 niet wordt heropend, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij ernstige rugklachten heeft en dat hij niet in staat is om de geselecteerde functies te vervullen.

Op 22 juni 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink rapport uitgebracht, waaruit blijkt dat hij zich heeft kunnen verenigen met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts. Nadat de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof in zijn rapport van 29 juni 2004 het rapport van de voormelde arbeidskundige Jacobs had onderschreven, heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2004 het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant naar voren gebracht dat op grond van de rechtszekerheid zijn uitkering na detentie zonder meer heropend had moeten worden. Voor het overige heeft hij zijn in bezwaar naar voren gebrachte grieven herhaald.

Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft het Uwv bij schrijven van

9 maart 2005 uiteengezet dat voor de geselecteerde functies geen strikte diploma-eisen gelden en dat appellant voldoet aan het voor de functies vereiste opleidingsniveau.

De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In het hoger beroepschrift heeft appellant zijn eerdere in de procedure naar voren gebrachte grieven herhaald, waarna hij bij schrijven van 11 april 2007 nog nadere medische informatie heeft ingebracht.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 47b, eerste lid, van de WAO heeft de persoon, wiens uitkering op grond van het bepaalde in artikel 43, vijfde lid, van de WAO is ingetrokken, aanspraak op heropening van deze uitkering vanaf de dag dat hij in vrijheid is gesteld, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. Hieruit volgt, anders dan appellant van mening is, dat de WAO-uitkering na detentie niet zonder meer herleeft maar dat beoordeeld moet worden of betrokkene op de dag van de invrijheidstelling nog steeds arbeidsongeschikt is.

Resteert de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er bij appellant op

4 december 2003 geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelende sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat het onderzoek dat deze artsen hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant onzorgvuldig is geweest. De Raad is dan ook niet tot de conclusie kunnen komen dat het Uwv de beperkingen van appellant op de thans in geding zijnde datum heeft onderschat. De door appellant in hoger beroep nog ingebrachte medische informatie heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Dit betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv in voldoende mate de geschiktheid van appellant voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies heeft gemotiveerd. Anders dan appellant ter zitting heeft gesteld, is de Raad op grond van de gedingstukken, waarbij de Raad met name verwijst naar de notities functiebelasting van 4 februari 2004 en het voormelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Hulshof, niet tot de conclusie kunnen komen dat appellant te weinig mogelijkheden tot vertreding heeft in deze functies. Ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat deze functies niet geschikt voor appellant zijn.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat vorenstaande vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.A. Huizer.