Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
05-4042 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Geen sprake van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4042 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 juni 2005, 04/2173 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007. Namens appellante zijn verschenen P. Vijfhuizen en

A.M. Reuzenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de feiten naar de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daar het volgende aan toe. Appellante, geboren in 1964, is op 4 september 1989 als docent in dienst getreden bij het [naam College] College te [vestigingsplaats]. Op 17 november 1990 is appellante voor die werkzaamheden uitgevallen in verband met, onder meer, chronische vermoeidheidsklachten en een toxoplasmose-infectie. Nadien heeft appellante niet meer gewerkt. Vervolgens zijn haar bij een drietal gelegenheden uitkeringen terzake van arbeidsongeschiktheid geweigerd die alle formele rechtskracht hebben gekregen. Alle weigeringen waren gebaseerd op het standpunt dat er bij appellante geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek.

Appellante heeft zich op 7 februari 2003 ziek gemeld en op 23 oktober 2003 wederom een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. Het Uwv heeft bij het besluit van 11 december 2003 geweigerd appellante per 6 februari 2004 een WAO-uitkering toe te kennen. De daartegen gerichte bezwaren heeft het Uwv bij het thans bestreden besluit van 15 juli 2004 ongegrond verklaard. Kort gezegd, stelt het Uwv zich op het standpunt dat de medische toestand van appellante sinds de eerdere beoordelingen niet wezenlijk is gewijzigd en dat er derhalve nog steeds geen sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het Uwv op basis van eerdere gegevens kon concluderen dat de medische toestand van appellante niet wezenlijk was gewijzigd. De rechtbank onderschreef de beoordeling van het Uwv dat de gestelde psychische klachten niet substantieel afwijken van de eerder aan de orde gestelde klachten. Omdat er geen nieuwe gegevens waren ingebracht die er op wijzen dat er in relevante mate wijzigingen waren opgetreden zag de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen teneinde appellante te onderzoeken. De rechtbank was ten slotte van oordeel dat er geen sprake van was dat de voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts die appellantes bezwaar heeft beoordeeld, terzake van haar vooringenomen was.

Appellante stelt in hoger beroep onder meer dat zij al sinds 15 jaar lijdt aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) met daarnaast een continue aanwezige hoofdpijn. Appellante is van mening dat er sinds 1993 geen onafhankelijk medisch onderzoek is verricht naar haar gezondheidstoestand. Om die reden verzoekt zij de Raad dan ook om een medisch en psychisch onderzoek te laten instellen door een onafhankelijk arts. Appellante heeft er op diverse momenten in de procedure op gewezen dat CVS inmiddels een erkende ziekte is en als zodanig ook moet worden bezien. Daarbij wordt er op gewezen dat er bij het Uwv geen sprake is van een eenduidige werkwijze bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. In het geval van appellante is er geen rekening gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit de chronische vermoeidheid, maar borduurt het Uwv voort op de oude gegevens. Naar de mening van appellante liggen er voldoende rapporten om de klachten aannemelijk te maken, om welke reden zij stelt dat er, nu er in het verleden alleen maar met haar is gesproken, thans een gedegen onderzoek moet worden verricht naar belastbaarheid, uithoudingsvermogen, stressdruk, pijnklachten en concentratievermogen. Tevens kan dan een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) worden ingevuld, iets dat tot op heden nog niet is gebeurd. Ten slotte heeft appellante een aantal voorbeelden gegeven van de effecten van haar beperkingen op haar dagelijks leven.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank verenigen. De rechtbank heeft met juistheid weergegeven op welke wijze de eisen ten aanzien van de objectiviteit van de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen in een geval als het onderhavige dienen te worden toegepast. De Raad wijst er daarbij op dat het enkel stellen van een diagnose - in dit geval CVS - niet voldoende is om te concluderen dat aan die eis van objectiviteit is voldaan. De Raad wijst er daarbij op dat het in de rede ligt dat vanuit de behandelende sector de klachten van appellante als uitgangspunt worden genomen voor het zo mogelijk opstellen van een behandeling. Het Uwv is echter gehouden bij de beoordeling van die klachten een wettelijk criterium te hanteren waarin niet enkel het bestaan van die klachten doorslaggevend is, maar waarbij tevens een op medische gronden geobjectiveerd verband tussen de klachten en aan te nemen arbeidsbeperkingen moet kunnen worden gelegd. Immers, indien dat verband ontbreekt zou enkel op geleide van de klachten en derhalve uitsluitend op aangeven van een betrokkene een WAO-uitkering kunnen worden verkregen.

Een juiste toepassing van het hiervoor toegelichte criterium brengt tevens mee dat indien een medisch geobjectiveerd verband tussen klachten en aan te nemen arbeidsbeperkingen ontbreekt, het Uwv niet gehouden is om een zogenoemde FML in te vullen. Het gegeven dat in sommige gevallen bij verzekerden bij wie de diagnose CVS is gesteld wel een FML wordt opgesteld, hetgeen met zich kan brengen dat in sommige gevallen een WAO-uitkering wordt toegekend, leidt de Raad niet tot het oordeel dat dit ook in dit geval had moeten worden gedaan. Immers, ook bij het stellen van een gelijke diagnose dient steeds aan de hand van de individuele omstandigheden te worden beoordeeld of en zo ja welke medische objectiveerbare arbeidsbeperkingen aanwezig zijn. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval deze beoordeling op goede gronden en voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Wat dat laatste betreft, volstaat de Raad te verwijzen naar hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld en overwogen.

Nu er geen nieuwe medische gegevens zijn ingebracht die er op duiden dat de gezondheidstoestand van appellante anders moet worden beoordeeld, ziet de Raad, met de rechtbank, geen aanleiding om een deskundige te benoemen teneinde appellante te laten onderzoeken.

De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Gunter.