Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
05-3403 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht geweigerd WAO-uitkering op te hogen?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3403 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2005, 04/3333 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

De feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, voor zover van belang voor de oordeelsvorming van de Raad, laten zich in samenvatting als volgt weergeven.

Appellant, voormalig magazijnmedewerker en heftruckchauffeur, is in 1997 vanuit zijn situatie als uitkeringsgerechtigde ingevolge de Werkloosheidswet uitgevallen wegens onder meer arm- en handklachten. Ingaande 22 juni 1998 is hij in verband hiermee in aanmerking gebracht voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 2 januari 2004 is deze uitkering met ingang van 1 februari 2004 herzien naar 25 tot 35%.

Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindend telefoonrapport heeft appellant zich op 12 januari 2004 onder meer toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 9 januari 2004.

Bij besluit van 19 mei 2004 heeft het Uwv mededeling gedaan van zijn standpunt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant niet is toegenomen.

Bij het bestreden besluit van 26 oktober 2004 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 mei 2004 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

De rechtbank, die geen reden heeft gezien om de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden, heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad overweegt, mede in reactie op hetgeen dienaangaande namens appellant is aangevoerd en onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, in de eerste plaats dat in deze procedure slechts een oordeel kan worden gegeven over het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 19 mei 2004. Tegen het herzieningsbesluit van 2 januari 2004, waarvan blijkens het hiervoor vermelde telefoonrapport alsmede het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank genoegzaam vast staat dat het door appellant is ontvangen, is - zo stelt de Raad met de rechtbank vast - geen bezwaar gemaakt.

Het bestreden besluit strekt, naar desgevraagd ter zitting van de zijde van het Uwv is bevestigd, uitsluitend tot weigering - met toepassing van artikel 39a van de WAO - van ophoging van de met ingang van 1 februari 2004 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% verlaagde WAO-uitkering van appellant.

Uit de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige gegevens komt naar voren dat de melding door appellant van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 9 januari 2004 betrekking had op pijnklachten aan zijn rechterarm, uitstralend naar het rechterbeen, -voet en -knie. Volgens de verzekeringsarts konden bij onderzoek op 4 mei 2004 geen structurele afwijkingen worden vastgesteld. Er werd geen reden gezien het tot dan toe aangehouden belastbaarheidspatroon aan te passen. De belastbaarheid van appellant werd aldus ongewijzigd geacht ten opzichte van de eerder op 21 augustus 2003 vastgestelde belastbaarheid, zoals tot uitgangspunt genomen bij de herziening van appellants uitkering per 1 februari 2004.

De Raad heeft in navolging van de rechtbank geen aanleiding om de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, welke mede berusten op door de behandelend neurologen J.C.B. Verhey en L.C.M. Moll verstrekte informatie, voor onjuist te houden. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat ook in hoger beroep van de zijde van appellant geen nadere medische gegevens in het geding zijn gebracht die een genoegzame objectief-medische steun bieden voor zijn eigen opvatting dat er wel sprake is van een relevante toename van zijn beperkingen.

Nu van een toename van beperkingen geen sprake is, heeft het Uwv terecht geweigerd op die grond over te gaan tot de door appellant verzochte ophoging van zijn uitkering. In het kader van de toepassing van de hiervoor genoemde wettelijke bepaling behoeft in een geval als het onderhavige, zoals in vaste rechtspraak van de Raad is vastgelegd, slechts dan tot een arbeidskundige beoordeling te worden overgegaan indien de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds bestaande - naar een gedeeltelijke mate van arbeidsongeschiktheid berekende - uitkering zijn toegenomen.

Het bestreden besluit is mitsdien rechtens juist te achten. Niettemin kan de aangevallen uitspraak op grond van het volgende niet in stand blijven.

Nadat de rechtbank het onderzoek na behandeling ter zitting op 17 maart 2005 had heropend, heeft zij bij brieven van 4 april 2005 partijen om toestemming verzocht hernieuwd onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft deze toestemming verleend bij brief van 6 april 2005. Namens appellant is deze toestemming verleend bij brief van 15 april 2005, in welke brief ook de grieven van appellant nog nader zijn toegelicht. De rechtbank heeft vervolgens de aangevallen uitspraak gewezen.

Naar de Raad vaker van zijn opvatting heeft doen blijken, staat het de rechter, in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, niet vrij om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

Dit laatste is in het onderhavige geval niet gebeurd. De rechtbank heeft na toevoeging aan de stukken van de hiervoor genoemde brief van appellant van 15 april 2005, bevattende een uitgebreide nadere toelichting op diens standpunt, het Uwv niet opnieuw om toestemming in de zin van artikel 8:57 van de Awb verzocht, terwijl een dergelijke toestemming ook anderszins niet is gegeven.

Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:57 van de Awb en derhalve niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.