Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9104

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
05-4754 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Geschiktheid eigen werk?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4754 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2005, 05/39 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn broer

[W.] als zijn raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Reitsma.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden zoals deze in de aangevallen uitspraak, gelet op de gedingstukken met juistheid, zijn weergegeven. De Raad vermeldt hier dat het Uwv bij het thans bestreden besluit op bezwaar van 26 november 2004 het besluit van 23 juni 2004 heeft gehandhaafd, waarbij is beslist dat appellant na ommekomst van de (verlengde) wachttijd per 25 juni 2004 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toekomt, op de grond dat hij geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk van machinebediende gedurende een volledige werkweek. Hieraan voegt de Raad nog toe dat appellant zijn werk na ommekomst van de wachttijd is blijven verrichten, zij het met aangepaste werktijden en voor een kleiner aantal uren per week.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat appellant in staat is om vanaf 24 juni 2004 (bedoeld is: 25 juni 2004) gedurende een volledige werkweek zijn eigen arbeid te verrichten en dat aldus geen verlies aan verdienvermogen bestaat, zodat terecht is geweigerd een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen.

In hoger beroep heeft appellant dit oordeel doen bestrijden met verwijzing naar de omtrent zijn gezondheidstoestand beschikbare medische gegevens en de in hoger beroep ingezonden nadere gegevens van medische aard. Op grond hiervan moet, aldus appellant, worden aangenomen dat de ernst van zijn rugklachten door de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen is onderschat en dat een (medische) urenbeperking noodzakelijk was.

Het Uwv heeft in hoger beroep zijn standpunt met betrekking tot de geschiktheid van appellant voor zijn eigen werk gehandhaafd. De bezwaarverzekeringsarts P. van Muijen heeft bij schrijven van 5 september 2005, reagerend op de in hoger beroep overgelegde medische gegevens, opgemerkt dat deze een voorgestelde rugoperatie betreffen (spondylodese), maar dat de onderliggende aandoening (spondylisthesis) aan de (bezwaar)verzekeringsarts bekend was. Met betrekking tot de datum in geding acht de bezwaarverzekeringsarts Van Muijen deze gegevens niet relevant, omdat met een beperkte belastbaarheid van de rug al rekening is gehouden.

Partijen houdt aldus in hoger beroep in het bijzonder verdeeld of appellant, met inachtneming van de bij hem in aanmerking te nemen medische beperkingen, in staat moet worden geacht per 25 juni 2004 zijn werk van machinebediende (de maatmanarbeid) voltijds te verrichten.

De Raad merkt allereerst op dat op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de WAO niet beslissend is de eigen opvatting van een verzekerde dat hij of zij niet meer (volledig) kan werken. Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO - voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Zoals de Raad onder andere in zijn uitspraak van 14 juni 1994, gepubliceerd in RSV 1994/206, heeft overwogen, rechtvaardigt geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de vooronderstelling dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij hervatting in de oude functie niet mogelijk is en zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen welke de juistheid van die vooronderstelling aantasten. Hiervan is in dit geval geen sprake. Aan de gedingstukken ontleent de Raad dat weliswaar sprake was van een reorganisatie van de werkzaamheden in het kader waarvan de maatmanfunctie mogelijk zou verdwijnen, maar dat ten tijde in geding vaststond dat deze functie nog circa een jaar zou blijven bestaan. Daarmee is ook in overeenstemming dat appellant de daaraan verbonden werkzaamheden, zij het voor een kleiner aantal uren, na ommekomst van de wachttijd is blijven verrichten. Aldus heeft het Uwv bij de besluitvorming terecht de vraag onder ogen gezien of appellant geschikt kon worden geacht voor zijn eigen werk van machinebediende.

De Raad stelt voorts vast dat zich onder de gedingstukken beschrijvingen bevinden van de functie van machinebediende, opgesteld door de bedrijfsarts van de werkgever en de arbeidsdeskundige van het Uwv, die met elkaar in overeenstemming zijn ten aanzien van de aard en zwaarte van de maatmanarbeid. Die beschrijvingen zijn van de zijde van appellant ook niet bestreden. De Raad gaat er gelet hierop vanuit dat deze beschrijvingen een getrouw beeld geven van de in deze functie aan appellant gestelde eisen en dat de arbeidsdeskundige bij zijn vaststelling dat appellant daarvoor geschikt was derhalve een juist beeld daarvan had.

De vraag of de medische gegevens aanknopingspunten bieden voor de veronderstelling dat appellant, gelet op het hiervoor al weergegeven arbeidsongeschiktheidscriterium, niet in staat was zijn werk voltijds te verrichten, beantwoordt de Raad ontkennend.

Ter zitting bij de Raad heeft appellant verklaard dat hij in zijn werk van machinebediende alle daarin voorkomende werkzaamheden kon verrichten, maar dat hij dit door de zwaarte ervan maar voor een beperkt aantal uren kon volhouden. In hoger beroep zijn evenwel geen nieuwe medische gegevens ingebracht die die stelling genoegzaam ondersteunen, althans zodanige twijfel scheppen aan het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat voor de rechterlijke oordeelsvorming nader onderzoek noodzakelijk is. De omstandigheid dat appellant, naar ter zitting is vermeld, inmiddels een rugoperatie heeft ondergaan en sedertdien door het Uwv (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt wordt geacht, staat daaraan niet in de weg. Die operatie heeft eerst geruime tijd na de datum in geding plaatsgevonden, het voornemen daartoe was ten tijde van de besluitvorming niet bekend en bovendien was deze ook niet binnen afzienbare tijd te verwachten.

Uitgaande van de door de verzekeringsarts ten behoeve van de besluitvorming opgestelde functionele mogelijkheden lijst en het in de bezwaarfase uitgebrachte rapport van de bezwaarverzekeringsarts K. Kok komt de Raad tot het oordeel dat het standpunt van de arbeidsdeskundige P.L. Laracker, als verwoord in zijn rapport van 22 juni 2004, dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk in volle omvang, omdat de maximaal toegestane belastbaarheid niet wordt overschreden, gevolgd kan worden.

In het vorenoverwogene ligt al besloten dat de Raad zich over de medische toestand van appellant voldoende voorgelicht acht en het niet noodzakelijk acht zich door een medische deskundige, gelijk van de zijde van appellant is verzocht, te laten voorlichten.

De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.