Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2007
Datum publicatie
10-07-2007
Zaaknummer
05-4872 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Motivering voldoende?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4872 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2005, 04/5496 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 6 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant bij brief van

18 november 2005 heeft gereageerd.

Betrokkene heeft bij brief van 9 mei 2007 een rapport van 7 maart 2007 van de psychiater S. Bissessur ingezonden en een verzoek om schadevergoeding gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Sowka. Betrokkene is bij zijn gemachtigde mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 23 september 2004 heeft appellant de intrekking per 31 mei 2004 gehandhaafd van de eerder aan betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze intrekking is gegrond op de overweging dat betrokkene in staat moet worden geacht met inachtneming van zijn medische beperkingen voor hem geschikte arbeid te verrichten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigd. Daartoe is overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts van appellant heeft nagelaten essentiële informatie van de behandelend psychiater-psychotherapeut S. Bissessur bij zijn rapportage te betrekken.

Appellant heeft in hoger beroep dit oordeel, onder overlegging van een commentaar van 11 juli 2005 van de bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen, bestreden door erop te wijzen dat de bezwaarverzekeringsarts wel aandacht heeft besteed aan de rapportage van Bissessur en dat dit is meegewogen in het medisch oordeel. Diens rapport leidt evenwel niet tot een andere uitkomst.

Betrokkene heeft zich geschaard achter het oordeel van de rechtbank en heeft voorts aangevoerd dat de (bezwaar)verzekeringsarts een verkeerde conclusie heeft getrokken uit het rapport van Bissessur, die door zijn vele behandelcontacten sinds 1999 een beter beeld heeft van betrokkene.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank niet. Niet gezegd kan worden dat de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever in zijn rapport van 1 september 2004 niet serieus aandacht heeft besteed aan de inlichtingen van de psychiater Bissessur. Niet alleen worden zijn bevindingen in dit rapport weergegeven (waaruit blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts daarvan kennis droeg), maar ook stelt de bezwaarverzekeringsarts onder het kopje “Beschouwing” dat de aanvullende informatie van Bissessur de somatisatie stoornis van betrokkene (waarvan de verzekeringsarts gewag maakt) bevestigt.

Voorts overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport de inlichtingen van de betrokkene in het verleden behandeld hebbende neurologen en chirurg bij zijn overwegingen heeft betrokken en ook kennis heeft genomen van de eerder omtrent betrokkene uitgebrachte verzekeringsgeneeskundige rapportages. Onder die omstandigheden kan niet gesproken worden van een niet volledige heroverweging van de beschikbare medische gegevens door de bezwaarverzekeringsarts.

De omstandigheid dat betrokkene het niet eens is met de uitkomst van deze heroverweging doet hieraan niet af.

De Raad kan de zaak zelf afdoen, nu terugwijzing naar de rechtbank niet noodzakelijk is en partijen daarom ook niet hebben gevraagd.

De Raad ziet in de overgelegde gegevens van Bissessur, waaronder begrepen zijn rapport van 7 maart 2007, onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de medische beperkingen van betrokkene onjuist zijn ingeschat. In de functionele mogelijkheden lijst (FML) zijn naast beperkingen met betrekking tot de somatische klachten van betrokkene tevens psychische beperkingen opgenomen. Voor een urenbeperking is geen aanleiding gezien, omdat specifieke rustmomenten ontbreken in het dagverhaal van betrokkene en er een discrepantie bestaat tussen zijn klachten en de bevindingen bij onderzoek. In de bezwaarfase heeft betrokkene een door hem opgesteld overzicht verstrekt van zijn dagbesteding. Daarvan heeft de bezwaarverzekeringsarts kennis genomen en daarbij overwogen dat dit de indruk geeft dat betrokkene de gehele dag niets doet, hetgeen niet in overeenstemming is met het door de primaire arts vermelde dagverhaal. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich daarop geschaard achter het standpunt van de verzekeringsarts dat voor een urenbeperking geen reden is, welke opvatting de Raad onbegrijpelijk noch onjuist acht.

Met inachtneming van de FML heeft de arbeidsdeskundige betrokkene een aantal functies voorgehouden. Mede gelet op het overleg dat tussen de arts en de arbeidsdeskundige over de toelaatbaarheid van de functies uit medisch oogpunt is gevoerd, acht de Raad die functies voor betrokkene geschikt.

In hoger beroep is namens betrokkene bevestigd dat zijn grieven tegen de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling de medische kant betreffen, zodat een beoordeling door de Raad van andere (arbeidskundige) elementen van de schatting achterwege blijft.

Met betrekking tot de grief van betrokkene inzake de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM stelt de Raad vast dat tussen het indienen van het bezwaarschrift op 21 april 2004 en de definitieve beslechting van het geschil, waarin de Raad in hoger beroep op 6 juli 2007 uitspraak doet, ruim 3 jaar is verstreken. Van schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM is dan ook geen sprake.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.