Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
06-2381 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verlengen tijdelijke aanstelling. Wijze van functioneren. Betrokkene heeft niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2381 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 februari 2006, 04/4433 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A. de Weerdt, advocaat te Leiden, bijgestaan door

H. Ammerlaan en drs. M. Kopmels, beiden werkzaam bij de gemeente Leiden. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 mei 2003 aangesteld in tijdelijke dienst met een proeftijd van één jaar in de functie van parkeercontroleur/reinigingscontroleur, later gewijzigd in de functie gemeentelijk opsporingsambtenaar. Bij besluit van 29 april 2004 is betrokkene meegedeeld dat haar tijdelijke aanstelling met ingang van 1 mei 2004 met twee maanden zal worden verlengd tot 1 juli 2004, op welke datum de aanstelling van rechtswege zal aflopen. Het besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

14 september 2004.

2. De rechtbank heeft dit besluit, voor zover dit behelst de weigering betrokkene een verdere verlenging van het tijdelijke diensverband, dan wel een vast dienstverband te verlenen, vernietigd, kort gezegd omdat aan betrokkene onvoldoende gelegenheid was geboden haar functioneren te verbeteren.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. De toetsing van het in geding zijnde besluit tot het niet voortzetten van het tijdelijke dienstverband na 1 juli 2004 is, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, beperkt tot de vraag of, behoudens anderszins strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, appellant niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat betrokkene niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

3.2. De Raad deelt niet het oordeel van de rechtbank dat betrokkene niet tijdig op de hoogte is gesteld van kritiek op haar functioneren en dat zij geen kansen op verbetering heeft gehad. Uit de gedingstukken komt genoegzaam naar voren dat betrokkene er reeds in september 2003 op is gewezen dat zij burgers soms te joviaal aanspreekt en is met haar afgesproken dat dit zakelijker moet. Uit de in februari 2005 opgestelde beoordeling blijkt dat hierin onvoldoende verbetering is gekomen en dat betrokkene door haar opstelling conflicten kan laten ontstaan. Door betrokkene wordt erkend dat haar gedrag op straat te wensen overlaat, zoals blijkt uit het bezwaarschrift. Daarin vermeldt betrokkene ook dat zij soms wat bot en kortaf is.

Ook blijkt uit de opgestelde beoordeling dat samenwerkingsproblemen zijn gerezen met collega’s, eveneens als gevolg van impulsieve uitlatingen.

3.3. Op grond van de gedingstukken is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat betrokkene zich begin februari 2004 discriminerend heeft uitgelaten. Daarbij kent de Raad gewicht toe aan de verklaringen van een tweetal collega’s van betrokkene en het feit dat betrokkene, direct na confrontatie daarmee, heeft aangegeven dat zij zoiets gezegd zou kunnen hebben, zij het over buitenlanders in het algemeen en niet over collega’s. De latere ontkenningen van betrokkene acht de Raad daarom niet overtuigend, evenmin als het herroepen van de eerdere verklaring door één van de twee collega’s. De Raad is van oordeel dat betrokkene zonder meer had dienen te beseffen dat zij zich in haar functie van dergelijke uitlatingen moet onthouden.

3.4. Het standpunt van appellant dat betrokkene aldus niet heeft voldaan aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen, waaronder het correct optreden jegens anderen, acht de Raad, anders dan de rechtbank, dan ook voldoende onderbouwd.

De Raad is met appellant van oordeel dat juist in een functie als hier aan de orde, waarbij burgers op straat moeten worden aangesproken op hun gedrag, tactvol en correct optreden van de ambtenaar van het hoogste belang is.

3.5. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 september 2004 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

14.06