Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
06-2524 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2006:AV7875, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belangenverstrengeling. Ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar. Schorsing. Opleggen gebouwontzegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2524 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 maart 2006, 05/2742 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maarssen (hierna: college)

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.F. Weenink, advocaat te Utrecht. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Vriezen, juridisch adviseur verbonden aan Vijverberg Juristen BV, en door drs. J.W. van der Sluijs, burgemeester en A.B. Nederlof, gemeentesecretaris van de gemeente Maarssen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is als hoofd van de afdeling [naam afdeling] in dienst bij de gemeente Maarssen. Begin 2005 bereikte de gemeentesecretaris het signaal dat het bedrijf TIM, waarmee de gemeente zakelijke relaties onderhoudt, onjuist heeft gefactureerd en dat een medewerker van appellants afdeling zich in dat kader vermoedelijk heeft schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling. Naar aanleiding hiervan heeft de gemeentesecretaris een intern onderzoek ingesteld. Gezien de ernst van de zaak zoals die uit dit eerste onderzoek naar voren kwam, is het onderzoek vervolgens overgedragen aan Hoffmann Bedrijfsrecherche BV (hierna: Hoffmann BV).

1.2. In het kader van het onderzoek door Hoffmann BV is van medewerkers van het bedrijf TIM, vernomen dat door dat bedrijf in opdracht van appellant bij zijn huis een schutting is geplaatst. Bij bedrijf TIM is van deze werkzaamheden geen factuur aangetroffen. Op 25 mei 2005 hebben onderzoekers van Hoffmann BV appellant onder meer verzocht de factuur met betrekking tot de door het bedrijf TIM bij zijn woning geplaatste schutting te overleggen. Appellant heeft aangegeven daartoe niet bereid te zijn. In een gesprek met de gemeentesecretaris later op die dag is appellant nogmaals verzocht de van hem gevraagde informatie te verstrekken, waarop appellant opnieuw te kennen heeft gegeven daartoe niet te willen overgaan.

1.3. Appellant is vervolgens in de gelegenheid gesteld om op 26 mei 2005, om 09.00 uur, de gevraagde informatie alsnog te overleggen. Appellant is niet verschenen. Appellants verzoek om verplaatsing van het gesprek naar een later tijdstip die dag heeft het college afgewezen. Nog diezelfde dag heeft het college aangifte gedaan van mogelijk strafbare feiten bij de politie, waarna de rijksrecherche een strafrechtelijk vooronderzoek is gestart.

1.4. Bij besluit van 26 mei 2005 is appellant op grond van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Maarssen (ARM) met onmiddellijke ingang geschorst in het belang van de dienst voor de duur van het onderzoek. Daarbij is appellant tevens een gebouwontzegging opgelegd als bedoeld in artikel 15:1:19 van de ARM. Het besluit van 26 mei 2005 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit).

1.5. Een door appellant bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij uitspraak van 8 juli 2005, 05/1448, afgewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingediende beroep ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Naar vaste jurisprudentie (CRvB 26 mei 2004, LJN AP1422 en TAR 2004, 130) vindt een bestuursorgaan in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel.

3.2. De Raad acht het, gelet op de aard en de strekking van het onderzoek en de destijds bekend zijnde gegevens, zonder meer gerechtvaardigd dat de door het bedrijf TIM voor appellant verrichte werkzaamheden mede in het onderzoek naar vermoedelijke fraude en corruptie binnen de gemeentelijke organisatie zijn betrokken. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het college in redelijkheid van appellant heeft kunnen verlangen dat hij de door het college in het belang van het onderzoek relevant geachte gegevens - waaronder in ieder geval was begrepen de factuur betreffende de door het bedrijf TIM bij zijn woning geplaatste schutting - overlegde. Dat daarmee een ongeoorloofde inbreuk werd gemaakt op appellants privé-sfeer onderschrijft de Raad niet. Appellant bevond zich, mede gezien zijn leidinggevende positie binnen de gemeentelijke organisatie, voorts geheel niet in de omstandigheid om voorwaarden te kunnen stellen aan het verlenen van zijn medewerking aan het onderzoek, en aan de verstrekking van de specifieke informatie die in het kader van dat onderzoek van hem werd verlangd.

3.3. Terecht heeft de rechtbank onderschreven dat appellant, door niet te voldoen aan het herhaaldelijk aan hem gedane verzoek de gevraagde informatie te overleggen, de verdenking van het plegen van ernstig plichtsverzuim op zichzelf heeft geladen, hetgeen heeft geleid tot een vertrouwensbreuk tussen appellant en het college. Vanaf dat moment bestond er ook naar het oordeel van de Raad een voldoende concrete en ernstige verdenking die het treffen van een ordemaatregel als hier in geding rechtvaardigde. Nu de voortzetting van het onderzoek door de rijksrecherche evenzeer de vermoedelijke fraude en corruptie binnen de gemeentelijke organisatie betrof, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad voorts met juistheid overwogen dat de schorsing zich mede uitstrekt tot die voortzetting.

3.4. De Raad laat in het midden wat er zij van de vraag of appellant op 25 mei 2005 daadwerkelijk een ultimatum is gesteld, nu vastgesteld moet worden dat het college er gelet op de ernst van de situatie en zeker ook gezien appellants leidinggevende positie alle belang bij had snel duidelijkheid te krijgen. Aan appellant is in elk geval een uiterste gelegenheid geboden om op 26 mei 2005 (alsnog) openheid van zaken te geven. De Raad kan het feit dat appellant maar zeer kort de tijd heeft gehad om alsnog met de gevraagde gegevens over de brug te komen en hij ook niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op het voornemen tot schorsing te geven onder die omstandigheden niet onzorgvuldig achten.

4. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

14.06