Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
06-3326 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van betrokkene om zijn dienstverband bij de gemeente als ononderbroken voortgezet te beschouwen en aan de aan dat dienstverband verbonden rechtspositionele regelingen met terugwerkende kracht toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3326 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 1 mei 2006, 05/404 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder (hierna: college)

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.J. Blekman, juridisch adviseur.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 2 augustus 2001, 99/2027 AW. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Bij besluit van 28 september 1989 heeft het college appellant per 1 januari 1990 eervol ontslag verleend uit zijn betrekking bij het gemeentelijk gasbedrijf in verband met de overgang van dit bedrijf naar de Gemeenschappelijke Regeling Gasbedrijf Kop Noord-Holland (GKNH). Het ontslag is verleend onder het voorbehoud dat genoemde overgang ook daadwerkelijk per 1 januari 1990 geëffectueerd zal worden. Appellant is bij besluit van 28 maart 1990 per 1 januari 1990 in vaste dienst aangesteld bij het GKNH, en aanvankelijk geplaatst als medewerker algemene dienst. Per 1 mei 1990 is appellant definitief geplaatst als voorlichter industriële installaties. Met ingang van 1 november 1993 is de arbeidsovereenkomst met het inmiddels geprivatiseerde GKNH ontbonden.

1.2. Appellant heeft diverse procedures gevoerd omtrent zijn rechtspositie. Nadat de rechtbank Haarlem het besluit van 28 februari 1990, waarbij de bezwaren van appellant tegen de plaatsing als medewerker algemene dienst ongegrond waren verklaard, had vernietigd, heeft het college ter uitvoering van die uitspraak bij besluit van 12 februari 1998 onder meer vastgesteld dat een nieuwe tijdelijke plaatsing in een andere functie met terugwerkende kracht feitelijk onmogelijk en zonder enige zin is. De Raad heeft in zijn onder 1. genoemde uitspraak daaromtrent overwogen dat deze weigering een nieuw inpassingsbesluit te nemen de handhaving impliceert van de tijdelijke inpassing per

1 januari 1990 en derhalve dezelfde uitkomst had als het vernietigde besluit. Gezien de omstandigheden achtte de Raad dit toegestaan en behoefde het college appellant niet met terugwerkende kracht alsnog in te passen in een andere functie.

1.3. Op 4 maart 2004 heeft appellant het college verzocht zijn dienstverband bij de gemeente als ononderbroken voortgezet te beschouwen en aan de aan dat dienstverband verbonden rechtspositionele regelingen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1990 uitvoering te geven. Dit verzoek is bij besluit van 10 september 2004 afgewezen, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2005.

2. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onder 1.3. genoemde verzoek door het college terecht is aangemerkt als een verzoek terug te komen van het in rechte vaststaande ontslagbesluit van 28 september 1989 en voorts dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het terugkomen op dat ontslagbesluit zouden kunnen rechtvaardigen.

3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verwijst daarnaar. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep nog naar voren heeft gebracht voegt de Raad nog het volgende toe.

3.1. Appellant heeft gesteld dat hij uitvoering van het ontslagbesluit nastreeft, geen terugkomen daarvan. Nu achteraf bezien geen aanstelling bij GKNH voor appellant is gerealiseerd, is de overgang van het gemeentelijk gasbedrijf ook niet gerealiseerd en is de ontbindende voorwaarde uit het ontslagbesluit van toepassing, aldus appellant. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Bedoelde voorwaarde ziet op de overgang van het gemeentelijk gasbedrijf naar de gemeenschappelijke regeling, welke overgang wel degelijk - ook voor appellant, gezien zijn aanstelling per 1 januari 1990 bij besluit van 28 maart 1990 - is gerealiseerd. De stelling van appellant ziet voorts voorbij aan de overweging van de Raad, weergegeven in 1.2., dat de tijdelijke inpassing per 1 januari 1990 uiteindelijk is gehandhaafd bij besluit van 12 februari 1998 en dat dit besluit de rechterlijke toets kon doorstaan. Appellants verzoek is daarom terecht opgevat als een verzoek terug te komen van het hem per 1 januari 1990 verleende ontslag.

3.2. De stelling van appellant dat de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2001 als een nieuw feit dan wel veranderde omstandigheid moet worden aangemerkt, nu eerst als gevolg daarvan is komen vast te staan dat per 1 januari 1990 geen plaatsingsbesluit voor appellant gold berust, zoals ook uit 3.1. blijkt, op een onjuiste lezing van die uitspraak.

4. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

14.06