Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9051

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
06-977 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/977 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 29 december 2005, 05/370 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: college)

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2007. Appellant is in persoon verschenen en het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.S. Andela, werkzaam bij Vijverberg Juristen te Zoetermeer, en door drs. P. Lage Venterink, werkzaam bij de gemeente Hengelo.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam als senior medewerker bestuurlijk-juridische zaken op de afdeling bestuurlijk juridische zaken van de bestuursdienst van de gemeente Hengelo. Deze functie is in de loop van 2003 beschreven en gewaardeerd met toepassing van de functiewaarderingsmethode FUWA-MET, met als peildatum 1 april 2001 en met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000. Deze waardering heeft geleid tot een totaalscore van 67 punten en indeling in formatieschaal 11. Bij besluit van 16 februari 2005 heeft het college, onder ongegrondverklaring van de daartegen door appellant gemaakte bezwaren, de beschrijving en waardering gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. de functiebeschrijving.

3.1.1. Appellant is van mening dat de in geding zijnde functiebeschrijving niet overeen-stemt met zijn formele en feitelijke werkzaamheden sedert de peildatum, meer in het bijzonder nu uit de sinds 1997 geldende beschrijving verwijderd is de coördinatie van de behandeling van bezwaarschriften, het behandelen van complexe zaken en het zijn van plaatsvervanger van het afdelingshoofd.

3.1.2. De Raad stelt voorop dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het hier een organieke functiebeschrijving betreft, ten aanzien waarvan het college beleidsvrijheid toekomt en de rechterlijke toetsing met terughoudendheid moet plaatsvinden (CRvB

30 juni 2005, LJN AT9173 en TAR 2006, 8).

3.1.3. De Raad is er evenmin als de rechtbank van overtuigd geraakt dat de functie-beschrijving niet overeenkomt met de werkzaamheden die appellant in zijn functie wordt geacht te verrichten. Dat bepaalde taken thans onder een andere omschrijving vallen kan daaraan niet afdoen. Namens het college is afdoende uiteengezet dat een en ander het gevolg is van het gebruik van een andere, bij deze functiewaarderingsmethode gekozen terminologie, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van het begrip coördineren. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling geweest om te komen tot een herschikking van taken en appellant heeft erkend dat dit in de praktijk ook niet zo is. Dit geldt niet voor het plaatsvervangerschap. Te dien aanzien heeft het college aangegeven dat het zijn van plaatsvervanger, behoudens een enkele hier niet aan de orde zijnde uitzondering, niet meer aan de functie is gekoppeld maar aan de persoon. Daarbij is er voor gekozen het plaatsvervangerschap hoger in de hierarchie te leggen. Appellants afdelingshoofd wordt dus thans vervangen door het sectorhoofd. Die keuze ziet wel degelijk op een herschik-king van taken, maar is gezien de beleidsvrijheid van het college niet onaanvaardbaar. De Raad deelt verder het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de functiebeschrijving en volstaat met naar de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben gebracht te verwijzen.

3.2. de functiewaardering

3.2.1. Wat betreft de waardering spitst het geschil zich ook in hoger beroep toe op het toekennen van een score van 11 punten op het onderdeel zelfstandigheid en op de waardering van het onderdeel communicatie. De Raad stelt vast dat appellant met betrekking tot deze punten geen wezenlijk andere grieven naar voren heeft gebracht dan in eerste aanleg. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank over deze grieven en schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak op dit punt.

3.2.2. Voor zover appellant er in hoger beroep nog op heeft gewezen dat de gehanteerde functiewaarderingsmethode inmiddels als ontoereikend is aangemerkt binnen de gemeente stelt de Raad vast dat het college dit heeft ontkend en er overigens terecht op heeft gewezen dat eventuele nadere inzichten over de methode op zich zelf niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) P.J.W. Loots.

HD

14.06