Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
06/1577 AW e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opgelegde straf na ernstig plichtsverzuim politie-ambtenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/191
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1577 AW

06/3204 AW

06/3226 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 januari 2006, 05/3213 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Gelderland-Midden (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 21 april 2006 beroep ingesteld tegen de weigering van de korps-beheerder om ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit te nemen.

De korpsbeheerder heeft op 28 april 2006 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen.

Appellant heeft gemotiveerd medegedeeld dat hij zich ook in dit nieuwe besluit niet kan vinden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, verbonden aan de Nederlandse Politie Bond. De korps-beheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Haverkamp, werkzaam bij de politieregio Gelderland-Midden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, werkzaam in de functie van parketwachter A, heeft op 2 maart 2004 samen met zijn collega H, werkzaam als parketwachter B, in een arrestantenbus arrestanten vervoerd. Aan het einde van de dienst hebben zij verzuimd drie nog in de bus aanwezige arrestanten naar het huis van bewaring te brengen. Zij hebben de bus, met daarin die arrestanten, op de daarvoor bestemde plaats bij het paleis van justitie geparkeerd en zijn naar huis gegaan. Zeer kort nadien zijn de drie arrestanten ontdekt en door collega’s van appellant en H alsnog naar het huis van bewaring gebracht.

1.2. Voor deze nalatigheid - van opzet was geen sprake - zijn appellant en zijn collega H bij primair besluit van 22 oktober 2004 disciplinair gestraft. Met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp) in verbinding met artikel 78 van het Barp is, met een proeftijd van drie jaar, de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd; tevens is besloten, met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder e, van het Barp, tot een inhouding op het salaris van een bedrag van € 1.000,- bruto.

Bij beslissing op bezwaar van 12 juli 2005 (hierna: besluit 1) is de straf van voorwaar-delijk ontslag gehandhaafd; de straf van het inhouden van een deel van het salaris is ingetrokken.

2. De rechtbank heeft besluit 1 vernietigd; zij achtte de straf van voorwaardelijk ontslag niet evenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Zij gaf “ten overvloede” in stellige bewoordingen aan dat de straf van inhouding van een bedrag van € 1.000,- op het salaris de rechterlijke toetsing op zichzelf wel zou hebben doorstaan, maar “gezien evenwel het thans reeds verstreken deel van de proeftijd, waardoor (appellant) in zijn beleving de opgelegde straf al voor een groot deel feitelijk heeft ondergaan, zou bij het opnieuw voorzien in de zaak door (de korpsbeheerder) met dit aspect rekening moeten worden gehouden”. De rechtbank gaf verder bepalingen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3.1. Appellant is van opvatting dat de rechtbank had moeten vaststellen dat de korps-beheerder niet bevoegd was tot enige strafoplegging omdat hij in een vergelijkbare situatie in 2004 geen straf had opgelegd. De willekeurige strafoplegging ziet appellant geïllustreerd in het eveneens achterwege laten van enige straf in een vergelijkbaar geval uit 2007.

3.2. Appellant acht verder de straf onevenredig omdat aan hem een even zware straf is opgelegd als aan zijn collega, die een hogere rang bekleedde en volgens de functie-beschrijving zwaardere verantwoordelijkheden had.

3.3. Appellant acht de straf voorts niet evenredig aan de aard en ernst van het plichts-verzuim; hij heeft daarbij tevens gewezen op zijn goede staat van dienst. Verder heeft hij benadrukt dat de rechtbank - door de korpsbeheerder niet bestreden - uitdrukkelijk heeft overwogen dat appellant gedurende het grootste deel van de proeftijd van 36 maanden feitelijk gestraft is geweest met de aanvankelijk opgelegde zware straf van voorwaardelijk ontslag.

4. De korpsbeheerder heeft betwist dat sprake is van gelijke gevallen en van willekeur bij de strafoplegging aan appellant (en diens collega H). Het door appellant naar voren gebrachte verschil in de functie(beschrijving) en in de verantwoordelijkheden van appellant en van diens collega H acht de korpsbeheerder in het kader van de door hen beiden hier begane nalatigheid niet relevant.

De korpsbeheerder heeft aangegeven dat hij in het nieuwe besluit van 28 april 2006 rekening heeft gehouden met de overwegingen van de rechtbank door verdiscontering van het geruime tijd ondergaan hebben van de straf van voorwaardelijk ontslag. Toegegeven is dat over de mate waarin daarmee rekening is gehouden - besloten is tot een inhouding van salaris over de resterende maanden van de proeftijd tot een bedrag van € 360,- - kan worden getwist.

5. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, als volgt.

5.1. Het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Hoewel de exacte gegevens over de door hem bedoelde kwestie uit 2004 niet bekend zijn, acht de Raad op grond van de wel bekende gegevens daarover - een arrestant was in een cel in het paleis van justitie achtergebleven als gevolg van miscommunicatie na verandering van procedures - de beide gevallen niet zodanig vergelijkbaar dat in het kader van strafoplegging gesproken zou moeten worden van gelijke gevallen. Ook als de Raad het ter illustratie naar voren gebrachte - latere - geval van 2007 mede in beschouwing zou nemen, kan hij niet de ver gaande conclusie trekken dat de korpsbeheerder bij het opleggen van straffen in dit soort zaken inconsistent is en ten aanzien van appellant (en diens collega H) willekeurig heeft gehandeld. Zoals is overwogen in de uitspraak van

24 februari 1987, TAR 1987, 85, komt hier aan het bestuursorgaan een zekere ruimte toe voor het afwegen van bepaalde omstandigheden en nuances en past de rechter hier terughoudendheid om in te grijpen.

5.2. De Raad volgt de korpsbeheerder in de weerlegging van appellants stelling dat het verschil in rangsniveau van appellant en diens collega H zou moeten leiden tot een verschil in strafmaat. De Raad wijst erop dat ter zitting is gebleken dat de twee op de arrestantenbus dienst doende parketwachters - ongeacht hun rangsniveau - beiden een zelfde functionele verantwoordelijkheid hebben ten opzichte van de met de bus vervoerde arrestanten.

5.3. De Raad kan appellant wel volgen in de stelling dat van de - door de rechtbank aanvaardbaar geachte - straf van inhouding van € 1.000,- bij de oplegging waarvan inmiddels rekening gehouden zou moeten worden met de reeds feitelijk ondergane straf van voorwaardelijk ontslag, niet gezegd kan worden dat deze niet onevenredig is aan aard en ernst van het plichtsverzuim. Daarbij verliest de Raad niet uit het oog dat het omgaan met de aan een parketwachter toevertrouwde arrestanten aan die parketwachter hoge eisen stelt. Van opzet is echter niet gebleken. De eerste en eenmalige nalatigheid van appellant, van wie de goede staat van dienst niet is betwist, is zeer snel ontdekt en heeft nagenoeg geen nadelige gevolgen gehad. Mede in het licht van de omstandigheid dat in de andere soortgelijke kwesties - ook al gaat het niet om gelijke gevallen - het opleggen van enige straf achterwege is gebleven, gaat de inhouding van het bedrag van € 1.000,-, ongeveer de helft van het maandsalaris van appellant (schaal 5), naar het oordeel van de Raad te ver.

5.4. Het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak treft dus doel. De uitspraak moet worden vernietigd. Aan het ter uitvoering van die uitspraak genomen besluit van 28 april 2006 is hiermee de rechtsgrond komen te ontvallen. Ook dat besluit moet daarom worden vernietigd.

5.5. Met het oog op de definitieve afdoening van het geschil overweegt de Raad dat dan weer het bezwaar tegen het primaire besluit voorligt. Bij het nemen van een nieuw besluit op dat bezwaar zou de korpsbeheerder, reeds omdat hij zich niet heeft verzet tegen het daarover door de rechtbank gegeven oordeel, rekening moeten houden met het door appellant feitelijk ondergaan hebben van een deel van de straf van voorwaardelijk ontslag. Waar de Raad onder 5.3. de straf van inhouding van € 1.000,- salaris als uitgangspunt te zwaar heeft geacht, ziet hij voor de korpsbeheerder, gelet op de lange periode gedurende welke appellant die (te) zware straf van voorwaardelijk ontslag feitelijk heeft ondergaan, geen ruimte meer voor enige strafoplegging. De Raad zal daarom - hoezeer ten tijde van het nemen van het primaire besluit het opleggen van een lichte straf, gegeven het door appellant begane strafwaardige plichtsverzuim, mogelijk was geweest - zelf in de zaak voorzien en ook het primaire besluit herroepen.

6. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding de korpsbeheerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

7. Tot slot volgt de Raad met betrekking tot het door appellant op 21 april 2006 ingestelde beroep het pleidooi van appellant hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren en hem de met dit beroep gemoeide proceskosten te vergoeden. De Raad zal de korpsbeheerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht veroordelen tot een bedrag van € 80,50 (wegingsfactor 0,25).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de korpsbeheerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant en voor zover niet tevens het primaire besluit van 22 oktober 2004 is herroepen;

Herroept dat primaire besluit;

Vernietigt het besluit van 28 april 2006;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen de (aanvankelijke) weigering van de korpsbeheerder een nieuw besluit te nemen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de korpsbeheerder tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 724,50, te betalen door de politieregio Gelderland-Midden;

Bepaalt dat die politieregio aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 207,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

HD

28.06

Q