Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
06-1040 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek tot plaatsing in bepaalde functie. Procesbelang. Ruime beleidsvrijheid Commandant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1040 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 januari 2006, 05/6946 en 05/8147 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commandant Zeestrijdkrachten als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten (hierna: commandant)

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007. Appellant is verschenen met bijstand van D. van Zoelen, juridisch adviseur te Waddinxveen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.A.D. Berkhuizen, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de commandant, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan zijn rechtsvoorganger, de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is in 1998 voor onbepaalde tijd aangesteld bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marine, waar hij een vijfjarige opleiding heeft gevolgd voor een functie bij het Korps Zeedienst. Na die opleiding te hebben afgerond, is hij geplaatst als wachts-officier op een marineschip. Toen hij daar niet naar behoren bleek te functioneren, is hij van boord gestuurd. Na uitvoerig overleg is hem de gelegenheid geboden zich in een andere richting te ontwikkelen. Voorwaarde daarbij was dat hij zou overgaan naar een contract voor de bepaalde tijd van drie jaar. Hij zou dan geplaatst worden op de functie van OS&O-officier te Den Helder en gebruik kunnen maken van zogenoemde DEMEB-faciliteiten. Vooruitlopend op zijn instemming is appellant eind november 2004 op die functie geplaatst. Hij heeft zich echter na korte tijd ziek gemeld en nadien te kennen gegeven niet op het aanbod in te gaan. Hieraan lag ten grondslag dat hij als OS&O-officier te weinig te doen had en dat hem was gebleken dat deze functie binnenkort zou worden opgeheven.

2.2. Bij brief van 20 maart 2005 heeft appellant de commandant verzocht hem voor vijf jaar te plaatsen op een juridische functie aan de wal, bij voorkeur ter standplaats

’s-Gravenhage. Dit verzoek is afgewezen en die afwijzing is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 december 2005.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover nog van belang, heeft de voorzieningen-rechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) het beroep van appellant met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. De commandant heeft betoogd dat het procesbelang van appellant verloren is gegaan doordat deze heeft berust in het besluit van 8 november 2005 waarbij hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal Beleidskader Defensie. De Raad deelt die zienswijze niet. In geding is de door appellant gevraagde toewijzing van een juridi-sche functie aan de wal. Zulk een toewijzing is niet onverenigbaar met de aanwijzing als herplaatsingskandidaat, maar juist in overeenstemming met het doel daarvan: het vinden van een nieuwe baan voor de betrokkene. Dat het herplaatsingsonderzoek inmiddels alleen nog is gericht op functies buiten de Marine, maakt dit niet anders. Het belang van appellant om een overtolligheidsontslag vóór te zijn, is evident.

3.2. Inhoudelijk komt het standpunt van de commandant erop neer dat appellant is aangesteld en opgeleid voor een varende functie, dat hij blijk heeft gegeven daarvoor niet geschikt te zijn en dat hij daarom in beginsel voor ontslag in aanmerking komt. Gelet op de omstandigheden van het geval heeft de commandant appellant echter tegemoet willen komen door hem eerst voor drie jaar in een rustige walfunctie te plaatsen, waar hij zich

- door het ter hand nemen van een studie en met gebruikmaking van de door Defensie geboden faciliteiten - zou kunnen voorbereiden op een overstap naar de burgermaat-schappij. Tot méér acht de commandant zich niet verplicht.

3.3. De Raad kan dit uitgangspunt van de commandant niet voor onjuist houden. Dat appellant ongeschikt is voor een varende functie, derhalve voor de kerntaak van de Marine, is in de praktijk gebleken en wordt door appellant ook niet betwist. Wellicht had deze ongeschiktheid reeds tijdens de opleiding kunnen en moeten worden vastgesteld, maar aan die omstandigheid - wat daarvan verder zij - kan appellant geen aanspraak op toewijzing van een andere vaste functie ontlenen. Dat in enkele andere gevallen verdergaande tegemoetkomingen zijn verleend, leidt niet tot een ander oordeel. Naar de commandant onweersproken heeft gesteld, ging het daarbij om officieren die - anders dan appellant - wèl geruime tijd een varende functie hadden uitgeoefend.

3.4. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, komt de commandant bij het al dan niet toewijzen van een functie een ruime beleidsvrijheid toe. Niet aannemelijk is geworden dat er ten tijde hier van belang vacatures bestonden die aan het verzoek van appellant beantwoordden. Op goede gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat van de commandant niet kon worden gevergd om appellant, die nog aan het begin van zijn rechtenstudie staat en geen relevante werkervaring heeft, boven de sterkte te plaatsen in een speciaal voor hem te creëren (opleidings)functie bij een juridische afdeling.

3.5. Het hoger beroep treft dan ook geen doel. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) R.A. Huizer.

HD

28.06