Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
05-5612WAO+07-2746 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. (on)deugdelijke motivering. Schadevergoeding in vorm wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5612 WAO + 07/2746 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 juli 2005, 04/2682 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.M. Staal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld en zijn aanvullende stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Voorts heeft het Uwv nog nadere stukken ingediend, waaronder een nieuw besluit op bezwaar van 10 mei 2007.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007, waar appellante in persoon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde.

Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is voor haar werk als reisburomedewerkster in 1995 uitgevallen wegens vermoeidheidsklachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk met ingang van 29 juni 1998 is herzien naar de klasse 65 tot 80%.

In het kader van een eerstejaarsherbeoordeling is appellante op 23 juni 2003 door de verzekeringsarts G. Pegt onderzocht en is mede op grond van een rapportage van de behandelend neuroloog M.G. Smits van 24 januari 2003 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld.

Arbeidsdeskundige D. Schouten heeft het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem geraadpleegd en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 34%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv appellante bij besluit van 18 november 2003 meegedeeld dat haar arbeidsongeschiktheid 25 tot 35% bedraagt en dat daarom haar uitkering met ingang van 5 januari 2004 wordt herzien.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal in zijn rapportage van 29 april 2004, onder meer na het meewegen van informatie van neuroloog Smits waaronder telefonische inlichtingen, geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht 30 uur per week (maximaal 6 uur per dag) te werken en de in de FML vastgestelde belastbaarheid bevestigd. Blijkens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige

J.C.M. Horeman diende een van de oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervallen. Voorts heeft hij -alsnog- de juiste reductiefactor toegepast waarna hij het verlies aan verdiencapaciteit heeft herberekend op 40,21%.

Bij besluit van 30 augustus 2004 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 november 2003 in zoverre gegrond verklaard dat appellante met ingang van 5 januari 2004 is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep zijn de eerdere grieven herhaald en is aangevoerd dat een urenbeperking gehanteerd dient te worden in verband met appellantes beperkingen. Appellante acht zich meer beperkt dan is aangenomen en acht zich in verband daarmee niet in staat om de geduide functies te vervullen. Voorts is zij van mening dat door de rechtbank verzuimd is een deskundige in te schakelen. Ter ondersteuning van haar grieven zijn brieven van neuroloog Smits ingezonden.

Het Uwv heeft in hoger beroep een nieuw besluit genomen van 10 mei 2007 (hierna: bestreden besluit 2). Bij dit besluit is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 5 januari 2004 bepaald op 55 tot 65%, waarbij voor het overige het bestreden besluit 1 is gehandhaafd.

De Raad overweegt als volgt.

In de eerste plaats stelt de Raad vast dat met het bestreden besluit 2 niet volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van appellante, in verband waarmee dat besluit op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling moet worden betrokken. Hierbij geldt dat appellante nog belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit 1, daar namens appellante is verzocht om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Nu vaststaat dat in het bestreden besluit 1 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 5 januari 2004 ten onrechte is gesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, zal de Raad het bestreden besluit 1 en de aangevallen uitspraak vernietigen. Het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb dient te worden toegewezen. Voor wat betreft de wijze waarop het Uwv de door appellante gevorderde schadevergoeding dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995 (LJN: ZB1495), gepubliceerd in JB 1995/314.

Met betrekking tot het beroep, voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit 2, overweegt de Raad als volgt.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit 2 op een deugdelijke medische grondslag berust. De Raad stelt vast dat appellante zowel in de primaire fase als in bezwaar door de (bezwaar)verzekeringsartsen is onderzocht, dat informatie van genoemde neuroloog daarbij is meegewogen en dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen afdoende is gemotiveerd waarom appellante in staat is geacht met inachtneming van de vastgestelde beperkingen 30 uur per week, 6 uur per dag te werken. De verschillende verklaringen van voorgenoemde neuroloog bevatten onvoldoende aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. De Raad stelt hierbij vast dat de neuroloog in een brief van 6 september 2004 expliciet heeft aangegeven dat hij niet kan beoordelen hoeveel uur appellante per week kan werken en dat hij dit overlaat aan andere deskundigen. Voorts kan de Raad aan de eigen mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien. In het bovenstaande ligt besloten dat ook de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige te raadplegen.

Voorts is ook de Raad van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies terecht als passend voor appellante zijn aangemerkt. Gelet op de aan de functies te ontlenen verdiencapaciteit en het voor appellante maatgevende inkomen, dient de indeling in de klasse 55 tot 65 % voor juist te worden gehouden.

Het bestreden besluit 2 kan in rechte stand houden.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden ter zake van aan appellante verleende rechtsbijstand begroot op € 644,-- in beroep en eveneens op € 644,-- in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de schade als hiervoor aangegeven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

MK