Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
05-4599 MAW + 05-4953 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Blootstelling aan toxische stoffen. Zorgplicht werkgever. Bijzondere invaliditeitsverhoging is ter compensatie immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 1658
TAR 2007/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4599 MAW + 05/4953 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], (hierna: betrokkene) en van

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juli 2005, 04/237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de staatssecretaris

Datum uitspraak: 28 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Ieder van partijen heeft hoger beroep ingesteld en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat te Harderwijk, en door zijn echtgenote, [echtgenote]. De staatssecretaris heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. C.C. Jongens, advocaat te ’s-Gravenhage, alsmede door mr. G.H.J. Hulsbergen en mr. R.A. van Deele, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren in 1956, was laatstelijk in de rang van korporaal werkzaam bij de Koninklijke Marine (KM). Tijdens zijn werkzaamheden is hij in aanraking gekomen met toxische stoffen. Vanaf 1992 heeft hij gezondheidsklachten gekregen, die omstreeks 1997 zijn verergerd. In mei 1999 is betrokkene met deze klachten uitgevallen en geplaatst bij de Sociaal Medische Dienst KM. Uiteindelijk is de diagnose Chronische Toxische Encephalopathie (OPS) gesteld; het betreft een aandoening van het zenuwstelsel die in het bijzonder de cognitieve vermogens aantast. Met ingang van 1 juni 2001 is aan betrokkene eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de militaire dienst uit hoofde van ziekte of gebrek. Ter zake van dit ontslag is hem, in aanvulling op de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), een arbeidsongeschiktheidspensioen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 90,02% toegekend, alsmede een invaliditeitspensioen en een bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV) op grond van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeits-voorzieningen militairen. De BIV is daarbij vastgesteld op 30% van de berekenings-grondslag, hetgeen per genoemde datum neerkwam op f. 16.532,85 bruto per jaar.

1.2. Bij brief van 21 april 1999 is namens betrokkene de staatssecretaris verzocht de geleden schade te vergoeden. Bij brief van 22 maart 2000 heeft de staatssecretaris aansprakelijkheid aanvaard. Blijkens het verhandelde ter zitting heeft de staatssecretaris hieraan ten grondslag gelegd dat met de blootstelling van betrokkene aan toxische stoffen is gehandeld in strijd met de zorgplicht van de overheidswerkgever (CRvB 22 juni 2000, LJN AB0072 en TAR 2000, 112). Vervolgens heeft de staatssecretaris besluiten genomen over verschillende schadeposten, waarbij hij zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van (rest)schade die niet reeds wordt gedekt door de aan betrokkene uit hoofde van diens rechtspositie toekomende voorzieningen. Deze besluiten zijn, na bezwaar, wat betreft de eindconclusie gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 december 2003.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Voorts zijn bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht.

2. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. Naar aanleiding van hetgeen over en weer in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3. In de eerste plaats kunnen partijen zich - om uiteenlopende redenen - niet verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent de aan betrokkene wegens zijn invaliditeit toegekende BIV.

Het hoger beroep van de staatssecretaris is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de BIV uitdrukkelijk is bedoeld om immateriële schade te compenseren en daarom niet in mindering mag worden gebracht op de door betrokkene geleden materiële schade. In dit verband hebben partijen onder meer gedebatteerd over de betekenis van het arrest van de Hoge Raad van 21 februari 1997 (wrongful birth, LJN ZC2286 en NJ 1999, 145).

Het hoger beroep van betrokkene stelt de vraag aan de orde op welke wijze de BIV in mindering moet worden gebracht op de werkelijk geleden immateriële schade, indien die werkelijke schade hoger is. Betrokkene heeft daartoe drie methoden genoemd. Hij kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar de door hem slechts als meer subsidiair voorgestelde (contante-waarde)methode moet worden gevolgd.

3.1. De Raad stelt voorop dat de BIV een krachtens wettelijk voorschrift getroffen rechtspositionele voorziening is, die deel uitmaakt van de door het ambtenarenrecht beheerste rechtsverhouding tussen partijen. De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen - waarbij onder meer de militaire pensioenwetgeving is gewijzigd - laat zien dat de toenmalige BIV met name was bedoeld om de immateriële schade te compenseren en daarom ook wel als smartengeld wordt aangeduid (Kamerstukken II 1996-1997, 25 282, nr. 7, p. 32). Voor de toekenning en de hoogte van de BIV zijn concrete maatstaven geformuleerd, waarbij - kort gezegd - de vastgestelde mate van invaliditeit bepalend is voor het percentage van de uitkering. Bij de wijziging van de militaire pensioenregelgeving nadien zijn deze maatstaven op hoofdlijnen gehandhaafd. Op deze wijze heeft de regelgever kennelijk invulling willen geven aan het uitgangspunt dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade naar billijkheid dient te worden vastgesteld.

3.2. De Raad overweegt voorts, zoals ook is overwogen in zijn uitspraak van 5 september 2002, TAR 2002, 166, dat vaststelling van de vergoeding van immateriële letselschade wordt gekenmerkt door de geringe objectieve bepaalbaarheid van de in aanmerking te nemen factoren. Relevant zijn de aard van de aansprakelijkheid, alsmede de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor het slachtoffer het gevolg zijn van de ziekte of het ongeval. Het aldus te bepalen bedrag zal het bij het slachtoffer ontstane leed, dat immers niet op geld waardeerbaar is, nimmer kunnen compenseren. Gelet op deze onbepaaldheid van de te wegen factoren kan het, teneinde willekeur te voorkomen, dienstig zijn meer eenheid in de rechtstoepassing te brengen door het formuleren van concrete maatstaven, waarin de ernst van de situatie van het slachtoffer tot uitdrukking wordt gebracht. In een geval zoals hier aan de orde, waarin eerst bij formele wet en later bij Amvb zulke maatstaven zijn vastgesteld en op grond daarvan nader omschreven aanspraak op een BIV is toegekend, ligt het niet voor de hand de uitkomst daarvan in ieder individueel geval opnieuw op billijkheid te toetsen. Die uitkomst zal als bindend moeten worden aanvaard, tenzij bijzondere feiten of omstandigheden naar voren komen op grond waarvan de betrokken normen klaarblijkelijk niet leiden tot een billijk resultaat.

3.3. Met dit karakter van de aanspraak die de ambtenaar aan de regeling inzake de BIV kan ontlenen is niet verenigbaar dat een gedeelte van de BIV in een concreet geval als bovenmatig wordt aangemerkt en om die reden, krachtens voordeelstoerekening of anderszins, op schadeposten van materiële aard in mindering wordt gebracht. Verder heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden zoals onder 3.2., slot, bedoeld. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat aan betrokkene op betrekkelijk jonge leeftijd een aanspraak is toegekend op periodieke uitkering van - onder andere - de BIV en dat niet is gebleken dat, bijvoorbeeld vanwege een door de ziekte beperkte levensverwachting, aan die uitkering de gebruikelijke betekenis moet worden ontzegd. Evenmin is naar voren gekomen dat een periodieke uitkering onvoldoende zou aansluiten bij de aard van het letsel en het daaruit voortvloeiende lijden van betrokkene.

De onder 3. omschreven beroepsgronden van partijen treffen dus geen doel.

3.4. Gelet op het vorenstaande komt de Raad niet toe aan de discussie tussen partijen over de vraag met welke in de Smartengeldgids beschreven casus de situatie van betrokkene de meeste overeenstemming vertoont. Wat betreft de immateriële schade mag de staatssecretaris immers volstaan met uitkering van de BIV.

4. Het hiervóór overwogene betekent dat de staatssecretaris ten onrechte vergoeding van de door betrokkene gestelde materiële schade heeft afgewezen op grond van de over-weging dat de totale schade ruimschoots door het geheel van rechtspositionele voor-zieningen, waaronder de BIV, wordt gedekt. Bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar zal de staatssecretaris zich in volle omvang over de vergoeding van de materiële schade moeten uitspreken.

5. De staatssecretaris heeft de aangevallen uitspraak voorts bestreden wat betreft de hoogte van de volgens de rechtbank te vergoeden inkomensschade. Ter zitting van de Raad hebben partijen echter alsnog overeenstemming bereikt over de in geschil zijnde schadeposten. De bijverdiensten die betrokkene in de zogeheten UKW-periode gedurende tien jaar zou hebben verworven, zijn vastgesteld op € 815,- bruto per maand. Voor het verlies aan zelfwerkzaamheid tot aan de 70-jarige leeftijd is een bedrag van € 800,- per jaar overeengekomen. De Raad zal de op deze posten betrekking hebbende beroepsgronden daarom verder buiten beschouwing laten.

6. Er terecht van uitgaande dat betrokkene voor vergoeding van inkomensschade in aanmerking komt, heeft de rechtbank de door betrokkene uitdrukkelijk als subsidiair aangemerkte vergoeding voor de dagelijkse begeleiding door zijn echtgenote terecht buiten behandeling gelaten. De door de staatssecretaris in dit kader naar voren gebrachte grieven behoeven thans geen bespreking meer.

7. Betrokkene heeft zich verder nog gekeerd tegen de overweging van de rechtbank dat de wettelijke rente over de toe te kennen schadevergoeding dient te worden berekend vanaf acht weken na het indienen van het inleidende verzoek. Hij heeft bepleit dat de Raad terugkomt van zijn - in die zin luidende - uitspraken van 5 september 2002 (LJN AE8039 en TAR 2003, 22 alsmede LJN AE8041 en TAR 2002, 166) en voortaan aansluiting zoekt bij artikel 6:83, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek. Zijns inziens behoort de wettelijke rente te lopen vanaf het moment waarop de schending van de zorgplicht heeft plaatsgevonden en tot schade heeft geleid. Een andere opvatting plaatst de gelaedeerde in een nadelige positie zolang hij niet bekend is met zowel de schade als de identiteit van degene die daarvoor aansprakelijk is, aldus betrokkene.

7.1. De Raad stelt voorop dat de rechtbank door een overweging te wijden aan de berekening van de wettelijke rente, anders dan de staatssecretaris heeft gesteld, niet buiten de omvang van het geding is getreden. De wettelijke rente diende immers onderdeel uit te maken van de berekening van de omvang van de schade die betrokkene heeft geleden.

7.2. De Raad ziet echter geen aanleiding om zijn onder 7. bedoelde jurisprudentie, die aanknoopt bij het verstrijken van de beslistermijn, te verlaten. Daarvoor is reeds doorslaggevend dat het hier gaat om een door het - voor de schade aansprakelijke - bestuursorgaan bij besluit toe te kennen schadevergoeding. Deze situatie is niet vergelijkbaar met de situatie in het burgerlijk (proces)recht.

8. De Raad concludeert dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt en het hoger beroep van de staatssecretaris slechts ten dele. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, met dien verstande dat de staatssecretaris bij de nieuw te nemen beslissing op de bezwaren ’s Raads uitspraak in acht dient te nemen.

9. De Raad acht voorts termen aanwezig om de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene voor zover ter zake van het hoger beroep van de staatssecretaris gemaakt, zijnde € 644,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de staatssecretaris wordt opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren te nemen met inachtneming van hetgeen in ’s Raads uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) O.C. Boute.

HD

28.06

Q