Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA9030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
05-3281 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiewaardering niet kunnen aanvechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3281 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 april 2005, 03/3960 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)

Datum uitspraak: 21 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De staatssecretaris heeft nadere stukken ingezonden waarop appellant heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Arts, verbonden aan ACOM. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Maassen en R. Takkenberg, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is na de reorganisatie van de directie Materieel met ingang van

9 november 1998 de functie toegewezen van junior medewerker techniek en documentatie bij de Koninklijke Landmacht, directie Materieel. Aan deze functie is de rang van adjudant-onderofficier verbonden.

1.2. Bij rekest van 9 januari 2003 heeft appellant verzocht zijn functie te waarderen met de rang van eerste luitenant en hem met terugwerkende kracht tot 9 november 1998 te bevorderen. Bij besluit van 11 maart 2003 (hierna: primair besluit), is bepaald dat de functie vastgesteld blijft op het rangsniveau van adjudant-onderofficier. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de staatssecretaris ongegrond verklaard bij zijn besluit van

11 augustus 2003 (hierna: bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat niet inzichtelijk is gemaakt waarom zijn functie van junior medewerker techniek en documentatie is gewaardeerd in de rang van adjudant-onderofficier en de functie van medewerker techniek en documentatie is gewaardeerd in de rang van luitenant, nu in beide functies aan complexe projecten moet worden gewerkt. Appellant kan uit de stukken voorts niet afleiden of de aanhangsels bij de functiebeschrijving al dan niet zijn meegenomen bij de functiewaar-dering. Ook heeft hij de afzonderlijke scores voor diverse gezichtspunten aangevochten. Volgens appellant dient zijn functie structureel op luitenantsniveau te worden gewaar-deerd, 39 punten of meer. Hij heeft voorts zijn eerdere stellingen met betrekking tot schending van het gelijkheidsbeginsel gehandhaafd, alsmede het standpunt dat het beleid dat ertoe strekt de uitloopfuncties te beperken niet op hem van toepassing is.

3.2. De staatssecretaris heeft voor verweer aanvankelijk verwezen naar zijn verweer-schrift in de procedure in eerste aanleg. Nadien heeft de staatssecretaris nog een rapport ingebracht waaruit blijkt op welke wijze de scoreprofielen tot stand zijn gekomen. Bij de functiewaardering zijn volgens de staatssecretaris de zogenoemde tijdelijke aanhangsels bij de functiebeschrijvingen wel meegenomen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In hoger beroep heeft appellant, onder overlegging van daarop betrekking hebbende stukken, voor het eerst gedetailleerd de bij de functiewaardering op de afzonderlijke gezichtspunten behaalde scores aangevochten. Ter zitting van de Raad is namens de staatssecretaris erkend dat ten tijde van belang binnen de defensieorganisatie nog het standpunt werd gehuldigd dat militaire ambtenaren geen bezwaar konden maken tegen de waardering van de functie waarop zij waren geplaatst.

4.2. De Raad stelt vast dat de staatssecretaris het in 2002 genomen besluit tot waardering van de functie van - onder meer - appellant met de daarbij behorende puntenwaardering op de onderscheidene gezichtspunten niet aan appellant heeft bekend gemaakt. Dientengevolge is appellant niet de mogelijkheid gegeven om tegen de uitkomsten van die waardering als zodanig bezwaar te maken. Weliswaar heeft appellant een rekest ingediend als onder 1.2. vermeld, maar dit houdt slechts het verzoek in tot het verbinden van de rang van luitenant aan de functie en bevat slechts in beperkte mate (meer algemene) grieven tegen de functiewaardering als zodanig, waarbij niet op de afzonder-lijke gezichtspunten werd ingegaan. Dat was voor appellant destijds niet mogelijk als gevolg van het vermelde onder 4.1. in samenhang met het niet bekendmaken van de uitkomsten van de functiewaardering.

4.3. De beslissing over de rangstoekenning dient plaats te vinden op basis van de bij de functiewaardering behaalde totaalscore. Nu appellant ten onrechte niet de gelegenheid was gegeven zich uit te laten over de totaalscore en de waardering op de afzonderlijke gezichtspunten die tot deze score hebben geleid, is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris appellant eerst alsnog deze gelegenheid dient te bieden. De Raad zal daarom zowel het bestreden besluit van 11 augustus 2003 als het primaire besluit van

11 maart 2003 vernietigen. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 28 september 2006, 05/3492 MAW en 05/3497 MAW, ten aanzien van appellants collega’s L. en M., zal de staatssecretaris ook ten aanzien van appellant een nieuw besluit dienen te nemen waarbij zowel gemotiveerd wordt beslist over de waardering van de functie als zodanig, als wordt beslist op het verzoek van appellant om aan de functie de rang van luitenant te verbinden. Daarbij zal de staatssecretaris appellant in de gelegenheid dienen te stellen desgewenst tegen beide onderdelen van dat besluit bezwaar te maken. Van de staatssecretaris kan voorts worden verwacht dat hij in het nieuw te nemen primaire besluit ingaat op alle grieven die appellant in zijn rekest en de daarop gevolgde bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures reeds heeft aangevoerd.

4.4. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak geen stand kan houden en dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De Raad zal voorts het primaire besluit herroepen.

5. Voorts ziet de Raad aanleiding de staatssecretaris op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 644,- wegens in eerste aanleg en € 805,- wegens in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 11 maart 2003;

Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.449,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 323,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A.J. Rentmeester.

HD

21.06