Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
05-4112 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verhoging WAO. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid die onafgebroken vier weken heeft geduurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4112 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 mei 2005, 04/3139 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van het Uwv.

Bij besluit van 19 juli 1995 heeft het Uwv de aan appellant krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering met ingang van 1 januari 1993 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en heeft hij deze uitkering met ingang van 1 november 1993 wederom herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Dit besluit berustte, voor zover het de datum van 1 november 1993 betreft, op een medisch oordeel over de voor appellant op die datum geldende medische beperkingen en op een arbeidskundig oordeel, inhoudende dat appellant in staat werd geacht ongeveer de helft van zijn arbeidstijd werkzaam te zijn in de eigen functie van meewerkend directeur in een machine-reparatiebedrijf, waarmee appellant over een verdienvermogen beschikte ter hoogte van ongeveer de helft van het zogeheten maatmaninkomen. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Utrecht bij uitspraak van 23 december 1996 ongegrond verklaard, welke uitspraak is bevestigd door de Raad bij zijn uitspraak van 31 maart 1999.

Appellant heeft zich in juni 1999 tot het Uwv gewend en gesteld dat hij zich in de periode rond 1 november 1993 herhaalde malen heeft ziek gemeld, waarop evenwel nooit door het Uwv zou zijn beslist. Naar aanleiding van de schriftelijke stukken van appellant heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2000 geweigerd terug te komen van het besluit van

19 juli 1995, voor zover daarbij de WAO-uitkering met ingang van 1 november 1993 is herzien. In bezwaar is dit besluit gehandhaafd en de rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 28 januari 2002 het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. De Raad heeft bij zijn uitspraak van 29 juni 2004 evenwel geoordeeld dat het verzoek van appellant ten onrechte is opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 19 juli 1995.

Vervolgens heeft appellant het Uwv verzocht om alsnog een besluit te nemen op zijn ziekmelding van 30 november 1993. Bij besluit van 6 september 2004 heeft het Uwv, met toepassing van artikel 38 van de WAO, geweigerd de WAO-uitkering van appellant, die op de in geding zijnde datum werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van vier weken na 30 november 1993 te verhogen omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van die datum en gedurende vier weken daarna niet was toegenomen.

Het Uwv heeft bij besluit van 24 november 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 september 2004 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij zich op 30 november 1993 heeft ziek gemeld omdat zijn gezondheidstoestand, met name op het psychische vlak, met ingang van die datum wel degelijk was verslechterd. Naar zijn opvatting heeft de rechtbank derhalve ten onrechte geoordeeld dat het Uwv bij het bestreden besluit het standpunt heeft kunnen handhaven dat de WAO-uitkering niet voor verhoging in aanmerking kwam op de grond dat appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 30 november 1993 en gedurende de vier weken daarna niet was toegenomen.

Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellant diens stelling dat de ziekmelding per 30 november 1993 ten onrechte niet is geaccepteerd, niet op een zodanige wijze met medische gegevens onderbouwd dat hij zich daarachter kan stellen. Appellant heeft in hoger beroep wederom gesteld dat hij eind 1993 in een slechtere gezondheidstoestand verkeerde dan in 1992, maar hij heeft deze stelling naar het oordeel van de Raad niet met medische gegevens genoegzaam aannemelijk gemaakt. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens, met name het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van

1 november 2004, is de Raad dan ook van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft geoordeeld dat er op 30 november 1993 geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid die onafgebroken vier weken heeft geduurd, zodat het verzoek om verhoging van de WAO-uitkering terecht is afgewezen.

Uit bovenstaande overwegingen vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Gunter.