Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
05-4427 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Medische grondslag van het bestreden besluit is onvoldoende deugdelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4427 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juni 2005, 04/4676 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon adviesgroep BV, hoger beroep ingesteld.

Genoemde gemachtigde heeft omtrent appellante een rapport van 5 juli 2005 van

S. Boter, psycholoog, ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, vergezeld van het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn, op voornoemd rapport.

Namens appellante is daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2005. Voormelde gemachtigde was namens appellante aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

De Raad heeft bij brief van 27 november 2006 partijen bericht dat het onderzoek wordt heropend en vervolgens

C.J.F. Kemperman, zenuwarts te Leek, gevraagd om van verslag en advies te dienen.

Deskundige heeft bij rapport van 2 maart 2007 advies uitgebracht.

Het Uwv heeft op dit rapport gereageerd onder meer door inzending van het rapport van 14 juli 2003 (lees: 2007) van de bezwaarverzekeringsarts Van Duijn. Tevens heeft het Uwv stukken ingezonden met betrekking tot de beoordeling medio 2005 van appellante in verband met haar aanspraken ingevolge de WAO.

Het onderzoek ter zitting heeft wederom plaatsgevonden op 11 mei 2007. Namens appellante was J.R. Beukema voornoemd aanwezig. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, voorheen werkzaam als secretaresse, heeft zich op 7 juli 1997 ziek gemeld in verband met een haar overkomen ongeval. Nadien zijn onder andere whiplashklachten, psychische klachten en klachten als gevolg van energieverlies geconstateerd. Na afloop van de wettelijke wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling is door het Uwv bij besluit van 24 oktober 2003 aan appellante meegedeeld, dat haar WAO-uitkering per

24 december 2003 wordt herzien naar een percentage van 15 tot 25.

Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het kader daarvan is zij op verzoek van het Uwv onderzocht door E.F. van Ittersum, psychiater, die in zijn rapport van 10 september 2004 concludeert dat bij appellante geen sprake is van een ziekte in psychiatrische zin. Namens appellante is een rapport van T. Linschooten, psycholoog, naar het Uwv gezonden. Na advies van boven genoemde bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 30 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij zijn zowel medische als arbeidskundige bezwaren tegen dit besluit naar voren gebracht. Tevens zijn rapporten in het geding gebracht van 31 maart 2004 van

B.J. Room, psycholoog en van 21 april 2004 van W.D. van der Zwaag, klinisch psycholoog. Eerstgenoemde constateert, kort gezegd, dat vooral sprake is van een vertraagd tempo, laatstgenoemde dat sprake is van een cognitief disfunctioneren.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en bepaald dat het griffierecht wordt terugbetaald aan appellante. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en, met het Uwv, geoordeeld dat appellante op de datum in geding in staat was om arbeid in enige vorm (zonder een beperking in het aantal uren) te verrichten. Enkele functies zijn echter onder andere qua tempo en tijdsdruk mogelijk te belastend voor appellante; op dit punt is aldus de rechtbank het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

Namens appellante zijn in hoger beroep de eerder naar voren gebrachte grieven herhaald. Met name is gesteld dat de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit ten onrechte heeft onderschreven. Tevens is ter ondersteuning van dit standpunt het eerder genoemde rapport van S. Boter in geding gebracht.

De Raad oordeelt als volgt.

De deskundige Kemperman voornoemd is in diens rapport tot de conclusie gekomen, dat zeer waarschijnlijk bij appellante sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, die ook al op 23 december 2003 bestond. In verband met deze stoornis dienen de door het Uwv aangenomen beperkingen op het psychisch vlak enigszins aangescherpt te worden. Met name zou, volgens de deskundige, vooralsnog ook enige urenbeperking gewenst zijn.

De Raad ziet gelet op het totaal van de voorhanden zijnde medische gegevens, geen aanleiding om de deskundige niet in zijn conclusies te volgen. Kemperman heeft appellante op zorgvuldige wijze onderzocht en uitgebreid verslag gedaan van zijn bevindingen. Met name is deze deskundige als aangegeven van oordeel dat er voldoende grond bestaat tot het aannemen van een urenbeperking - dat hij zoals het Uwv heeft benadrukt spreekt over het “vooralsnog” aannemen van de bedoelde beperking, doet daar niet aan af, nog daargelaten dat het Uwv appellante medio 2005 onder andere in verband met een urenbeperking alsnog volledig arbeidsongeschikt heeft geacht -. Nu een urenbeperking aangewezen is te achten en het Uwv deze niet in aanmerking heeft genomen, is de medische grondslag van het bestreden besluit reeds daarom onvoldoende deugdelijk. Dit besluit komt dan ook in verband met het ontbreken van een toereikende medische grondslag voor vernietiging in aanmerking.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden, bevestigd dient te worden.

De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding aan appellante van de in hoger beroep gemaakte proceskosten, te begroten op € 966,-. Tevens dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep ten bedrage van € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.