Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8962

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
06-3590 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging WW-uitkering omdat appellant meer dan zes maanden niet beschikbaar is geweest om arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3590 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2006, 05/5562 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 juni 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A. Harff, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 mei 2007. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als steigerbouwer, heeft zich op 4 juli 2003 vanuit de WW ziek gemeld met rugklachten. Met ingang van 2 juli 2004 heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant heeft verzocht om toekenning van een (aanvullende) WW-uitkering, welke hem met ingang van 2 juli 2004 is toegekend. Op 20 september 2004 heeft appellant zich ziek gemeld en met ingang van die datum heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend tot en met 15 oktober 2004. Bij besluit van 15 oktober 2004 heeft het Uwv deze uitkering beëindigd omdat appellant op en na 16 oktober 2004 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid, te weten de functies die in het kader van de (voorafgaande) WAO-beoordeling voor hem zijn geselecteerd. Appellant heeft bezwaar gemaakt en vervolgens tegen het besluit op bezwaar van 16 december 2004 beroep ingesteld. Het hoger beroep van appellant inzake de ZW-beslissing is ter zitting van 16 mei 2007 behandeld in de procedure 05/4337 ZW. Bij uitspraak van heden heeft de Raad in dat geding de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

15 juni 2005 bevestigd.

3.2. Op 5 november 2004 heeft appellant uitkering ingevolge de WW gevraagd die hem bij besluit van 15 november 2004 is geweigerd omdat hij op het aanvraagformulier vermeld had wegens ziekte niet beschikbaar te zijn voor het verrichten van arbeid. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend. Op 8 juli 2005 heeft appellant opnieuw een aanvraag om WW-uitkering bij het Uwv gedaan. Hij heeft op het aanvraagformulier vermeld per 18 oktober 2004 beschikbaar te zijn geweest voor het verrichten van arbeid en te hebben gesolliciteerd. Bij besluit van 29 juli 2005 heeft het Uwv de WW-uitkering ontzegd omdat appellant meer dan zes maanden niet beschikbaar is geweest om arbeid te verrichten, nu hij zich per 6 juli 2005 weer beschikbaar heeft gesteld. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en gesteld dat hij zich, nadat op zijn bezwaar tegen de weigering van de ZW-uitkering was beslist, beschikbaar heeft gesteld om arbeid te aanvaarden en daadwerkelijk naar werk is gaan zoeken. Het Uwv heeft het bezwaar kennelijk ongegrond geacht en de bezwaren van appellant bij besluit van 7 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.3. In beroep heeft appellant zijn standpunt dat hij eerder dan 6 juli 2005 beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, gehandhaafd en hij heeft daartoe gegevens over een 29-tal sollicitaties overgelegd. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan hetgeen appellant bij zijn WW-aanvraag heeft verklaard. De rechtbank heeft de visie van het Uwv in het verweerschrift onderschreven met betrekking tot de authenticiteit van de ingediende stukken over de sollicitaties.

4. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

5. Ter beoordeling staat thans de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.2. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of appellant in de periode tussen het onherroepelijk geworden besluit van

15 november 2004 en de tweede aanvraag van 5 juli 2005 zich beschikbaar heeft gesteld om arbeid te verrichten en zo ja, of hierbij de termijn van zes maanden is overschreden, zoals bedoeld in artikel 21, derde lid, onder b, van de WW. Zoals de Raad herhaaldelijk heeft overwogen, (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 20 november 2002, LJN AG0094, RSV 2003/5) geeft de beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Die situatie moet worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook houding en gedrag van die werknemer. Indien er geen feiten en omstandigheden zijn aan te wijzen waaruit zondermeer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar was en het Uwv toch op grond van houding en gedrag daartoe wil concluderen, zal in zo’n geval ondubbelzinnig moeten vaststaan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken, dat hij zich niet beschikbaar heeft gesteld voor de arbeidsmarkt.

Het Uwv heeft, afgaande op de verklaringen van appellant bij zijn aanvraag om WW-uitkering in juli 2004 en november 2004 en op de inschrijving als werkzoekende bij het Centrum voor Werk en Inkomen op 6 juli 2005, bij het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat door appellant niet is aangetoond dat hij zich eerder beschikbaar heeft gesteld voor werk dan met ingang van 6 juli 2005. Het Uwv is in het bestreden besluit niet ingegaan op de stelling van appellant in het aanvullend bezwaarschrift van 4 oktober 2005 dat hij reeds na ontvangst van de beslissing op bezwaar in de ZW-procedure zich beschikbaar heeft gesteld om arbeid te verrichten en daadwerkelijk werk is gaan zoeken. Naar het oordeel van de Raad had het Uwv, gelet op het voorgaande, niet op de bezwaren van appellant mogen beslissen dan nadat door hem een nader onderzoek was ingesteld naar dit standpunt van appellant. Nu het Uwv dit heeft nagelaten en dit gebrek niet is gerepareerd in een - uitdrukkelijk door appellant gevraagde - hoorzitting, acht de Raad het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen.

5.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd. Het Uwv zal met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant ter zake van aan hem verleende rechtsbijstand en wel tot een bedrag van € 322,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep, in totaal € 644,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep ten bedrage van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 142,-- (€ 37,-- en € 105,--) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en B.M. van Dun en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2007.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.