Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
09-07-2007
Zaaknummer
06/2897 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand voor kosten van medische behandelingen. Dient de bijzondere bijstand om niet dan wel in de vorm van een geldlening te worden verstrekt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2897 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 april 2006, 05/4708 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 22 mei 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2007. Appellant heeft zich - daartoe opgeroepen - laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Voor betrokkene is niemand verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft vanaf 7 mei 2003 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft bij besluit van 25 juni 2004 de bijstand met ingang van 1 mei 2004 beëindigd (lees: ingetrokken) omdat uit onderzoek was gebleken dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voerde met [N.]. Met ingang van 27 september 2004 is aan betrokkene weer bijstand verleend. Betrokkene was in de periode van 1 mei 2004 tot en met 26 september 2004 niet verzekerd tegen ziektekosten.

Op 27 oktober 2004 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor kosten van medische behandelingen die hebben plaatsgevonden in de periode waarin zij niet tegen ziektekosten was verzekerd. Bij besluit van

29 december 2004 heeft appellant de aanvraag afgewezen op de grond dat (behoudens bijzondere omstandigheden) geen bijstand wordt verleend voor schulden. Appellant heeft bij besluit van 28 april 2005 het tegen dat besluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard in die zin dat aan betrokkene, met toepassing van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder d, - gelezen in samenhang met artikel 49, aanhef en onder b - van de Wet werk en bijstand (WWB) tot een bedrag van € 3.730,92 bijzondere bijstand is verleend in de vorm van een geldlening.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 28 april 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is slechts in geschil of de verzochte bijzondere bijstand om niet dan wel in de vorm van een geldlening dient te worden verstrekt.

Artikel 48, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB bepaalt - voorzover hier van belang - dat bijstand kan worden verleend in de vorm van een geldlening indien het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat onderhavige bijstandsverlening strekt tot aflossing van een schuldenlast. Daarmee is gegeven dat appellant op grond van vorengenoemde bepaling bevoegd was om de bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken.

Ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid voert appellant beleid als neergelegd in het Werkboek WWB. In hoofdstuk I van dit Werkboek is bepaald dat bijzondere bijstand voor bijzondere kosten (kosten die niet in de bijstandsnorm zijn begrepen)

- waartoe medische kosten worden gerekend - over het algemeen als gift wordt verstrekt.

Indien sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan de bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening. In hoofdstuk II van het Werkboek, dat betrekking heeft op medische kosten, is bepaald dat van de aanvrager mag worden verwacht dat hij zich voor medische kosten verzekert. Laat hij dit na dan is er sprake van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid. Indien besloten wordt om tot bijstandsverlening over te gaan dan wordt het gedeelte dat de verzekering zou hebben vergoed in alle gevallen als lening verstrekt.

Gezien het hierboven weergegeven beleid gaat appellant er in de gevallen waarin de aanvrager niet is verzekerd tegen ziektekosten zonder meer vanuit dat sprake is van een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Nu het beleid niet voorziet in een mogelijkheid om daarop in bijzondere situaties een uitzondering te maken, is de Raad van oordeel dat appellant hiermee buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden. Dat betekent dat het besluit van 28 april 2005, voorzover dat betrekking heeft op de vorm waarin de bijstand is toegekend, in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op andere gronden, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 28 april 2005 vernietigd.

De Raad overweegt voorts het volgende:

Voor het antwoord op de vraag of in het onderhavige geval aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat bijstand in de vorm van een gift wordt verleend, is van belang of er in het geval van betrokkene sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan en er tevens zodanige bijzondere omstandigheden bestaan dat op grond daarvan aanleiding bestaat de bijstand om niet te verlenen.

Betrokkene was niet tegen medische kosten verzekerd. Met appellant is de Raad van oordeel dat om die reden in haar geval sprake is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De Raad is echter tevens van oordeel dat er niettemin aanleiding bestaat de gevraagde bijstand te verlenen in de vorm van een gift in aanmerking genomen de bijzondere omstandigheden zoals die zich ten aanzien van betrokkene voordoen. De Raad wijst in dit kader naar de brief van appellant van 28 april 2005 waarin (onder meer) het volgende is vermeld:

“- dat uw uitkering voor u totaal onverwacht is beëindigd, daar u vooraf melding heeft gemaakt van uw woonsituatie

- tot op het moment van beëindiging van de uitkering u verplicht en aanvullend verzekerd was bij de Azivo

- na de beëindiging van uw uitkering, dan wel uitschrijving bij de Azivo het u aan gelden ontbrak om u vrijwillig / particulier tegen ziektekosten te verzekeren

- u, mede door het ontbreken van inkomsten, er eerst per 27 september 2004 in slaagde een kamer te vinden en zodoende opnieuw aan de voorwaarden voor bijstand te voldoen

- u in de periode waarin u niet verzekerd was tegen ziektekosten medisch noodzakelijke behandelingen heeft moeten ondergaan, waarvan de kosten op u worden verhaald

- u voor de kosten geen aflossingsregeling heeft kunnen treffen gezien reeds bestaande aflossingen

- er voor de schulden een absoluut en directe aflossingsverplichting bestaat

- Deze hele situatie u slechts in geringe mate kan worden verweten”.

De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij aan appellant is opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen;

Bepaalt dat de aan betrokkene verleende bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een gift;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van 322,--, te betalen door de gemeente Den Haag.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.