Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8940

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
06-07-2007
Zaaknummer
05-4242 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4242 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 mei 2005, 04/974 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bart, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 19 mei 2006 in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.E. van den Berg, kantoorgenoot van mr. Bart voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

Bij besluit van 29 september 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

5 november 2003 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

Bij besluit van 26 februari 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen het besluit van 29 september 2003 namens appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verlopen en dat de medische belastbaarheid van appellante bij het bestreden besluit niet is overschat maar dat de motivering waarom appellante geschikt wordt geacht voor de geselecteerde functies, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeerde.

Omdat in beroep bij de rechtbank alsnog de gewenst geachte onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank in het voetspoor van 's Raads uitspraken van 9 november 2004, LJN: AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, met betrekking tot het Claim Beoordeling- en Borgingssysteem, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in stand worden gelaten. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellante heeft in hoger beroep grieven van medische aard naar voren gebracht. Appellante meent dat het medisch onderzoek niet, althans onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat haar (psychische) beperkingen zijn onderschat. Appellante heeft in dit verband gewezen op een tweetal brieven van M. van der Meijde, verbonden aan de instelling De Gelderse Roos, van onderscheidenlijk 24 november 2005 en 11 april 2006. Appellante heeft de Raad voorts verzocht over te gaan tot de inschakeling van een deskundige.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling schaart de Raad zich geheel achter het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een medisch onderzoek. De Raad merkt daarbij op dat de bezwaarverzekeringsarts Admiraal zich in zijn rapport van 19 mei 2006 gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de uit de brieven van Van der Meijde van 24 november 2005 en 11 april 2006 blijkende informatie voornamelijk ziet op de periode na de datum in geding, dat uit beide brieven blijkt dat de klachten van appellante niet als ernstig imponeren en dat deze informatie zeker niet strijdig is met de arbeidsgeschiktheidsverklaring voor onder andere stressarm werk. De Raad heeft geen grond gevonden om dit, onweersproken gebleven, standpunt van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal voor onjuist te houden.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Gunter.

CVG