Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8916

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
06/4622 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herleving WW-uitkering? Niet beschikbaar ten gevolge van ziekte? Uitkering ingevolge Ziektewet ontvangen?

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 306
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4622 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 juni 2006, 05/1973 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 30 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Namens betrokkene is verschenen mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant heeft aan betrokkene, die laatstelijk werkzaam is geweest als verkoopster gedurende 40 uur per week in dienst van [B.V.] B.V., met ingang van

1 november 2000 een uitkering ingevolge de WW toegekend. Na haar ziekmelding per

20 mei 2002, terzake waarvan aan betrokkene een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is toegekend, is de WW-uitkering per die datum geëindigd. Appellant heeft betrokkene na afloop van de wachttijd van 52 weken het recht op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontzegd. Met ingang van 19 mei 2003 is de WW-uitkering van betrokkene herleefd. Vervolgens is de WW-uitkering per 17 juli 2003 geëindigd in verband met de toekenning van een ZW-uitkering per die datum aan betrokkene, welke is verstrekt over de periode tot 28 augustus 2003. Na de hersteldverklaring per 28 augustus 2003 heeft betrokkene geen uitkering meer van appellant ontvangen. Betrokkene heeft zich per 1 oktober 2003 bij appellant ziek gemeld, hetgeen echter niet heeft geleid tot toekenning van een uitkering ingevolge de ZW. Op

4 februari 2005 heeft betrokkene zich bij het Centrum voor Werk en Inkomen gemeld om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering; zij heeft de WW-uitkering aangevraagd met ingang van 4 februari 2005.

2.2. Appellant heeft bij besluit van 11 april 2005 bepaald dat betrokkene per 4 februari 2005 niet in aanmerking kan komen voor voortzetting van de WW-uitkering, omdat zij langer dan zes maanden niet beschikbaar voor werk is geweest. Bij het besluit op bezwaar van 18 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 11 april 2005 ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant overwogen dat betrokkene vanaf 28 augustus 2003 zich niet beschikbaar heeft gesteld voor arbeid om een andere reden dan ziekte en dat de WW-uitkering uitsluitend kan herleven als binnen zes maanden na die datum een aanvraag om een WW-uitkering wordt ingediend. Omdat betrokkene pas op 4 februari 2005 de WW-uitkering heeft aangevraagd, kan die uitkering niet herleven.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en aan appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van haar uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de ziekmelding van betrokkene per 1 oktober 2003. Vanaf die datum was betrokkene als gevolg van ziekte niet beschikbaar en is de omstandigheid waarnaar wordt verwezen in het laatste zinsdeel van artikel 21, derde lid, van de WW “het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder b wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid” komen te vervallen. Aan de stelling van appellant dat betrokkene vanaf 1 oktober 2003 geen ZW-uitkering heeft ontvangen, is de rechtbank voorbij gegaan. Volgens de rechtbank beoogt appellant daarmee de ziekte van betrokkene te betwisten, terwijl tussen partijen slechts verschil van mening bestond over de vraag of sprake was van dezelfde ziekteoorzaak en niet dat betrokkene vanaf 1 oktober 2003 ziek was. De conclusie van de rechtbank was dat betrokkene op 1 oktober 2003 nog geen zes maanden niet beschikbaar is geweest voor werk, waarmee appellant ten onrechte geen rekening heeft gehouden.

4.1. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het recht op WW-uitkering van betrokkene op 17 juli 2003 is geëindigd in verband met ziekte. Deze omstandigheid heeft opgehouden te bestaan per

28 augustus 2003, de datum van hersteldverklaring van betrokkene. Betrokkene heeft evenwel geen verzoek gedaan tot herleving van de WW-uitkering met ingang van

28 augustus 2003. Weliswaar heeft betrokkene zich per 1 oktober 2003 wederom ziek gemeld, maar dit heeft niet geleid tot een uitkering in verband met ziekte. Volgens appellant heeft zich in de periode van 28 augustus 2003 tot 4 februari 2005 geen omstandigheid voorgedaan als bedoeld in artikel 19 en artikel 20 van de WW en omdat die periode langer is dan zes maanden, kan de WW-uitkering per 4 februari 2005 niet herleven.

4.2. Betrokkene heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven. Betrokkene heeft erop gewezen dat appellant erkent dat zij vanaf 1 oktober 2003 arbeidsongeschikt is. Volgens haar is niet relevant dat appellant van mening is dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene voortkomt uit een andere ziekteoorzaak, zodat de wachttijd ingevolge de WAO niet vier weken, maar 52 weken bedraagt. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat zij tot 4 februari 2005 arbeidsongeschikt is geweest.

5. De Raad overweegt ter beoordeling van de aangevallen uitspraak als volgt.

5.1. Artikel 21, eerste lid, van de WW bepaalt dat indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, het recht op uitkering herleeft met inachtneming van het tweede lid, de in artikel 8 en het derde lid genoemde termijnen en de op grond van het vierde lid gestelde regels, voor zover geen nieuw recht op uitkering ingevolge dit hoofdstuk bestaat.

Ingevolge artikel 21, derde lid, van de WW kan een recht op uitkering dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd:

a. wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, h of k; of

b. op grond van artikel 20, eerste lid onderdeel b, als gevolg van het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid of het volgen van scholing of opleiding, terzake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen a, b, c, d of m; of

c. wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden, ook indien deze omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes maanden.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW heeft de werknemer, die een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt, geen recht op WW-uitkering.

5.2. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is, en ook de Raad gaat hiervan uit, dat betrokkene per 4 februari 2005 geen nieuw recht op WW-uitkering heeft opgebouwd en dat zij op die datum uitsluitend voor een WW-uitkering in aanmerking kan komen als haar op 17 juli 2003 geëindigde recht op deze uitkering kan herleven.

5.3. Met ingang van 17 juli 2003 is aan betrokkene uitkering ingevolge de ZW toegekend als gevolg waarvan het haar toegekende recht op WW-uitkering per die datum is geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder d, in verbinding met artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Deze omstandigheid doet zich niet langer voor vanaf 28 augustus 2003, de datum volgende op die waarop betrokkene hersteld is verklaard en de ZW-uitkering is geëindigd. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat betrokkene vanaf 28 augustus 2003 niet beschikbaar was voor arbeid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de WW, zodat het recht op WW-uitkering op die grond per 28 augustus 2003 niet is herleefd.

5.4. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat zij in de periode van 1 oktober 2003 tot

4 februari 2005 vanwege ziekte niet beschikbaar was voor arbeid en zij om die reden niet kon voldoen aan de voorwaarde van artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de WW. In deze periode is derhalve geen sprake geweest van het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 21, derde lid, onderdeel b, van de WW. Volgens betrokkene dient deze periode van ziekte derhalve buiten aanmerking te blijven, waardoor de periode tussen de eindiging van het recht op WW-uitkering en het vervallen van de omstandigheid die tot die eindiging van dat recht heeft geleid niet langer dan zes maanden heeft geduurd.

5.5. De Raad kan dit standpunt van betrokkene, en mitsdien het oordeel van de rechtbank, niet onderschrijven. Aan dit oordeel van de rechtbank ligt ten grondslag dat de herlevingstermijn van zes maanden als bedoeld in artikel 21, derde lid, van de WW niet van toepassing is als voldaan is aan de voorwaarde dat de werknemer niet beschikbaar kan zijn voor arbeid, derhalve niet heeft voldaan aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de WW, wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid. De Raad stelt evenwel vast, hetgeen de rechtbank niet heeft onderkend, dat artikel 21, derde lid, onderdeel b, van de WW tevens vereist dat de werknemer, die niet beschikbaar is voor arbeid wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid, terzake een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen a, b, c of d, van de WW. Aan deze voorwaarde heeft betrokkene niet voldaan omdat zij in de periode van 1 oktober 2003 tot 4 februari 2005 geen uitkering ingevolge de ZW of enige andere uitkering terzake van ziekte of arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen. De Raad is daarom van oordeel dat de herlevingstermijn van zes maanden, die is aangevangen op 28 augustus 2003, niet geëindigd is op 1 oktober 2003 en dat het recht op WW-uitkering van betrokkene na het verstrijken van deze termijn op 27 februari 2004 niet kan herleven. Betrokkene, die zich vanaf 4 februari 2005 opnieuw beschikbaar voor arbeid heeft gesteld, kan derhalve per die datum geen aanspraak maken op herleving van haar recht op WW-uitkering. De Raad merkt nog op dat de gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad heeft toegezegd dat opnieuw beoordeeld zal worden of het recht op WW-uitkering van betrokkene per

4 februari 2005 kan herleven mocht aan haar alsnog vanaf 1 oktober 2003 een uitkering terzake van ziekte of arbeidsongeschiktheid worden verstrekt.

6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.J. Rentmeester.