Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
06-4149 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Verwijtbare werkloosheid. Keukenmedewerker met terkortschietende persoonlijke hygiëne en onvoldoende representatieve kleding. Werkweigering en brutaal gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/4149 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 8 juni 2006, 05/9096 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juni 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M. Linares Fandino, advocaat te ‘s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2007. Voor appellant is verschenen mr. Linares Fandino voornoemd. Het Uwv is ter zitting niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was sinds 30 september 2002 als schoonmaker in dienst van [naam werkgever] (hierna: de werkgever) en laatstelijk ingezet als spoelkeukenmedewerker in het bedrijfsrestaurant van een [opdrachtgever] (hierna: de opdrachtgever). Na op 28 december 2004 door de werkgever te zijn gewaarschuwd voor werkweigering en brutaal gedrag heeft appellant bij brieven van

19 januari 2005 en 1 februari 2005 waarschuwingen gekregen ter zake van tekortschietende persoonlijke hygiëne en onvoldoende representatieve kleding. Op

23 februari 2005 heeft de opdrachtgever appellant de toegang tot zijn kantoren ontzegd. Op 24 februari 2005 heeft de opdrachtgever bij de werkgever van appellant een klacht ingediend over de onfrisse lichaamsgeur en de niet representatieve kleding van appellant. Naar aanleiding hiervan heeft de werkgever appellant bij brief van 25 februari 2005 voor drie dagen geschorst. Bij brief van 28 februari 2005 heeft de werkgever aan appellant bevestigd dat zij in onderling overleg de beëindiging van het dienstverband zijn overeengekomen. Appellant heeft deze brief voor akkoord ondertekend. Bij brief van

6 april 2005 heeft appellant de vernietigbaarheid van deze verklaring ingeroepen, waarna de werkgever een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met appellant heeft ingediend. Bij beschikking van 31 mei 2005 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2005 ontbonden onder toekenning van een vergoeding ten laste van de werkgever ten bedrage van € 1.395,58. Appellant heeft een WW-uitkering aangevraagd.

3. Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het Uwv de WW-uitkering blijvend geheel geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat in het handelen en nalaten van appellant, ook na herhaalde mondelinge en schriftelijke waarschuwingen, geen verbetering te constateren was, hetgeen voor de werkgever reden was om het dienstverband te beëindigen. Appellant had dan ook kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden.

4. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 10 november 2005 heeft het Uwv de beslissing van 5 juli 2005 gehandhaafd.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de werkgever het initiatief heeft genomen om de arbeidsovereenkomst met appellant te beëindigen omdat appellant herhaaldelijk onvoldoende gevolg heeft gegeven aan verzoeken en opdrachten van de werkgever. Appellant heeft geen stukken in het geding gebracht op grond waarvan aan de juistheid van die conclusie kan worden getwijfeld. De rechtbank heeft uit de stukken en de verklaring van appellant ter zitting afgeleid dat appellant zich niet heeft kunnen schikken in het gezag van zijn nieuwe catering manager die eind 2004 is begonnen. Van appellant mocht echter worden verwacht dat hij zich zou schikken in het gezag van zijn nieuwe catering manager, nu deze geen onredelijke eisen aan hem stelde. Bovendien heeft de werkgever appellant gewezen op mogelijke arbeidsrechtelijke consequenties indien hij zijn gedrag niet zou verbeteren. Appellant heeft zich dan ook jegens zijn werkgever zodanig verwijtbaar gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit het einde van de dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, zodat de

WW-uitkering terecht blijvend geheel is geweigerd.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich altijd als een goed werknemer heeft gedragen. Appellant heeft alles in het werk gesteld om zijn onaangename lichaamsgeur te verminderen. Hij nam de waarschuwingen van de werkgever zeer serieus door veel aandacht te besteden aan zijn persoonlijke verzorging en dagelijks schone kleding te dragen. Bovendien is hij naar de huisarts geweest voor dit probleem. Dat appellant zich zodanig zou hebben gedragen dat zijn gedrag de beëindiging van de dienstbetrekking tot gevolg zou hebben, is dan ook een fabel. Volgens appellant vormden economische motieven de werkelijke reden van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Appellant heeft betwist dat hij zich niet representatief kleedde. Daarbij heeft hij erop gewezen dat hij als schoonmaker in dienst is genomen en in een zeer arme spoelkeuken vuil werk diende te verrichten. Appellant kleedde zich te allen tijde naar de geldende omstandigheden doch hield hygiëne hoog in het vaandel. Voorts is appellant door dit alles in een uitzichtloze financiële positie geraakt en daardoor onder zeer zware psychische druk komen te staan. Het Uwv en de rechtbank zijn hier volledig aan voorbij gegaan. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat het Uwv en in navolging daarvan de rechtbank zich ten onrechte volledig hebben laten leiden door het relaas van de werkgever waarmee de rechtbank de beginselen van behoorlijk bestuur ernstig heeft geschaad. Er is dan ook sprake van onzorgvuldigheid in de zin van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, geen zorgvuldige belangenafweging in de zin van artikel 3:4 van de Awb en voorts is de uitspraak niet deugdelijk gemotiveerd, zodat sprake is van strijd met 7:12 van de Awb.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Onder 'verwijtbaar gedrag’ moet worden verstaan 'verwijtbaar jegens de werkgever'.

7.2. De Raad stelt vast dat appellant vanaf december 2004 verschillende malen, zowel schriftelijk als mondeling, door de opdrachtgever en door zijn werkgever is gewaarschuwd dat zijn persoonlijke hygiëne en zijn kleding niet voldeden aan de wensen van de opdrachtgever. Blijkens de stukken was na een waarschuwing een tijdelijke verbetering te zien in de persoonlijke hygiëne van appellant, maar hield deze verbetering slechts korte tijd stand. Appellant heeft dan ook geen gevolg gegeven aan de verzoeken van de opdrachtgever en de werkgever om meer aandacht te besteden aan zijn persoonlijke hygiëne en aan zijn kleding. De opdrachtgever heeft uiteindelijk aan de werkgever van appellant meegedeeld dat hij appellant niet meer te werk wilde stellen, waarna de werkgever van appellant op een beëindiging van de dienstbetrekking heeft aangestuurd. Dat de werkgever in werkelijkheid om bedrijfseconomische redenen van appellant af wilde, zoals door appellant is gesteld, is de Raad niet gebleken. Appellant heeft zijn stelling niet onderbouwd en het dossier biedt geen aanknopingspunten om appellant te volgen in deze stellingname.

7.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant verwijtbaar jegens zijn werkgever heeft gehandeld. Van een werknemer mag immers verwacht worden dat hij redelijke verzoeken en opdrachten van de werkgever opvolgt. Het is de Raad niet gebleken dat in het geval van appellant sprake was van een onredelijk verzoek. Evenmin is gebleken van redenen op grond waarvan appellant niet aan de verzoeken van de opdrachtgever en zijn werkgever zou kunnen voldoen.

7.4. De Raad is van oordeel dat appellant ook redelijkerwijs heeft kunnen voorzien dat het geen gevolg geven aan de redelijke verzoeken tot het einde van de dienstbetrekking zou kunnen leiden. Daarbij komt dat de werkgever appellant in de waarschuwingsbrieven heeft gewezen op de mogelijke arbeidsrechtelijke consequenties indien hij zijn gedrag niet zou aanpassen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, zodat de WW-uitkering met toepassing van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW terecht blijvend geheel is geweigerd.

7.5. Voorts is niet gebleken van redenen op grond waarvan het niet nakomen van de verplichting om te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden appellant niet in overwegende mate kan worden verweten, noch van dringende redenen op grond waarvan van het opleggen van een maatregel zou moeten worden afgezien.

7.6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en

B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.D.F. de Moor.