Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
06/2632 WWB + 06/2705 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering. Gezamenlijke huishouding? Wederzijdse zorg? Hoofdverblijf in zelfde woning?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2632 WWB

06/2705 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: College) en

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 maart 2006, 05/1513 (hierna: aangevallen uitspraak) in het geding tussen betrokkene en het College.

Datum uitspraak: 3 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft

mr. A.F. van den Berg, advocaat te Deventer, een verweerschrift ingediend.

Mr. Van den Berg heeft namens betrokkene hoger beroep ingesteld. Het College heeft bij wijze van verweer verwezen naar het door hem ingestelde hoger beroep.

Het onderzoek van deze zaken ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007, gevoegd met de behandeling van de hoger beroepen met de procedurenummers 06/2700, 06/4175 en 06/4177. Namens het College zijn verschenen F.L.H. Deuzeman en F.J.M. Wijnberg, werkzaam bij de gemeente Deventer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Na de zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, aanvankelijk met een toeslag van 20% en sedert 1 november 2004 met een toeslag van 10% omdat hij volgens het College vanaf die datum zijn bestaans-kosten gedeeltelijk kan delen met A. [naam huisgenoot], met wie betrokkene woonachtig is op het adres [adres]. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van heden met procedurenummer 06/2700.

Op 13 januari 2005 hebben twee medewerkers van de Sector Sociale Voorzieningen (SSV) van de gemeente Deventer op het hiervoor genoemde adres een onaangekondigd huisbezoek afgelegd. Daarbij is de woonruimte van betrokkene en [naam huisgenoot] bezichtigd en is met [naam huisgenoot] gesproken (betrokkene was niet thuis). Op grond van de bevindingen van het huisbezoek heeft het College geconcludeerd dat betrokkene en [naam huisgenoot] vanaf 13 januari 2005 een gezamenlijke huishouding voeren. Vanwege de SSV is deze conclusie aan betrokkene meegedeeld, waarbij hij in de gelegenheid is gesteld bijstand naar de norm voor gehuwden aan te vragen. Betrokkene heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Bij besluit van 18 maart 2005 heeft het College de bijstand van betrokkene met ingang van 13 januari 2005 ingetrokken. Bij besluit van 29 maart 2005 heeft het College de over de periode van 13 januari 2005 tot en met 28 februari 2005 gemaakte kosten van bijstand van betrokkene teruggevorderd tot een bedrag van € 818,50. Bij besluit van 29 juli 2005 heeft het College de tegen de besluiten van 18 en 29 maart 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, het beroep tegen het besluit van 29 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank wel hoofdverblijf van betrokkene en [naam huisgenoot] in dezelfe woning aangenomen, maar geen wederzijdse zorg, zodat volgens de rechtbank geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Partijen hebben zich tegen deze uitspraak gekeerd. Het College bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van wederzijdse zorg van betrokkene en [naam huisgenoot]. Betrokkene kan zich niet vinden in de overwegingen van de rechtbank aangaande het hoofdverblijf van betrokkene en [naam huisgenoot] in de woning [adres].

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Naar het oordeel van de Raad hebben het College en de rechtbank terecht aangenomen dat betrokkene en [naam huisgenoot] ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Zij waren toen woonachtig op hetzelfde adres en waren beiden huurder van de zich op dat adres bevindende woning. Anders dan betrokkene stelt, kan niet worden gesproken van een situatie waarin betrokkene en [naam huisgenoot] in die woning elk beschikten over zelfstandige woonruimte. Er was immers sprake van een gemeenschappelijke toegang tot de woning en van het gezamenlijk gebruik van de bij die woning behorende keuken en sanitaire voorzieningen. Aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding (het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning) is dan ook voldaan.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of ook aan het tweede criterium, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. Deze zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een bepaald geval is voldaan.

Het College heeft bij de beoordeling van de wederzijdse zorg belangrijke betekenis gehecht aan hetgeen [naam huisgenoot] volgens het door de medewerker van SSZ opgemaakte verslag van het huisbezoek heeft verklaard, bijvoorbeeld over het doen van boodschappen en het gezamenlijk gebruik van de in de woning aanwezige spullen. De Raad overweegt daarover in de eerste plaats dat het hier gaat om een voor betrokkene belastend verslag. Het verslag is niet opgemaakt op ambtseed of ambtsbelofte van een - tot opsporing bevoegde - sociaal rechercheur. Het is ook niet aan [naam huisgenoot] voorgelezen of ter lezing of ter ondertekening aan hem aangeboden. Gelet op het voorgaande en mede in aanmerking genomen de gemotiveerde betwisting van het verslag door [naam huisgenoot], zijn er onvoldoende waarborgen dat het verslag een juiste zakelijke weergave is van hetgeen [naam huisgenoot] heeft verklaard. Daarbij komt dat betrokkene zelf niet is gehoord over de wijze waarop hij de woning met [naam huisgenoot] bewoonde en of daarbij sprake was van wederzijdse zorg, alsmede dat ook betrokkene de door het College aangenomen wederzijdse zorg heeft tegengesproken.

Naar het oordeel van de Raad zijn er ook overigens onvoldoende feiten en omstandigheden voorhanden voor het standpunt dat in het onderhavige geval sprake is geweest van wederzijdse zorg. Het enkele feit dat, zoals het College aanvoert, bij het huisbezoek gebleken is van onzelfstandige woonruimtes van betrokkene en [naam huisgenoot], waarbij het gebruik van de ruimtes en het gebruik van spullen (bijvoorbeeld in de keuken) door elkaar lopen, is daarvoor niet voldoende. Van een financiële verstrengeling tussen betrokkene en [naam huisgenoot] die verder gaat dan het delen van de woonlasten is niet gebleken. Evenmin is naar voren gekomen dat betrokkene en [naam huisgenoot] in relevante mate zorg verleenden aan elkaar.

De Raad volgt de rechtbank dan ook in haar oordeel dat er geen toereikende grondslag is voor de conclusie dat ten tijde hier van belang sprake was van wederzijdse zorg, zodat het College ten onrechte het voeren een gezamenlijke huishouding van betrokkene met [naam huisgenoot] heeft aangenomen.

Uit het voorgaande volgt dat noch het hoger beroep van het College noch het hoger beroep van betrokkene slaagt. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Nu het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, is er geen plaats voor de door hem gevorderde veroordeling van het College tot schadevergoeding.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten die betrokkene als gevolg van het instellen van het hoger beroep door het College heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. In de zaak die betrokkene zelf heeft aangespannen ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen door de gemeente Deventer aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van de gemeente Deventer een griffierecht van € 422,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.