Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
05-6528 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Wachttijd 4 of 52 weken? Arbeidsongeschiktheid uit zelfde ziekte oorzaak?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6528 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 november 2005, 05/43 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 mei 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv bij brief van 7 maart 2007, onder verwijzing naar een bijgesloten rapportage van de bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove van 5 maart 2007, een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Namens appellante is verschenen mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van ’t Oor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Het Uwv heeft aan appellante, die laatstelijk werkzaam is geweest als verkoopster gedurende 40 uur per week in dienst van [naam B.V.] B.V., met ingang van

1 november 2000 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Appellante heeft zich per 20 mei 2002 ziek gemeld in verband met pijnklachten met zwelling in het rechteronderbeen. Appellante heeft over de maximumtermijn van 52 weken uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. Na onderzoek door verzekeringsarts Raddjoe en arbeidsdeskundige A.J.M. van Soest heeft het Uwv appellante na afloop van de wachttijd van 52 weken uitkering ingevolge de WAO ontzegd op de grond dat zij in staat is gangbare arbeid te verrichten waarmee zij tenminste hetzelfde kan verdienen als in haar laatstvervulde functie. Vervolgens heeft het Uwv aan appellante vanaf 19 mei 2003 opnieuw WW-uitkering verstrekt en over de periode van 17 juli 2003 tot 28 augustus 2003 een uitkering ingevolge de ZW. Vanaf

28 augustus 2003 heeft appellante van het Uwv geen uitkering meer ontvangen.

2.2. Appellante heeft zich per 1 oktober 2003 opnieuw bij het Uwv ziek gemeld in verband met toegenomen pijnklachten van haar onderbenen. Na onderzoek op 7 januari 2004 is de hiervoor genoemde verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellante uitsluitend gedurende de week van 17 juli 2003 tot 24 juli 2003 volledig arbeidsongeschikt is geweest en dat zij nadien ongewijzigd minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 18 maart 2004 heeft het Uwv appellante na afloop van de wachttijd van vier weken per 29 oktober 2003 uitkering ingevolge de WAO ontzegd. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Na onderzoek door bezwaarverzekeringsarts T.K. Gouw heeft het Uwv bij besluit van 16 december 2004 (hierna: het bestreden besluit) het standpunt gehandhaafd dat appellante met ingang van 29 oktober 2003 geen recht heeft op een WAO-uitkering. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv, in afwijking van het besluit van 18 maart 2004, ten grondslag gelegd dat de ziekmelding van appellante per 1 oktober 2003 niet voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan zij vóór 19 mei 2003 ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. Derhalve geldt niet de wachttijd van vier weken, maar die van 52 weken en kan appellante op die grond per 29 oktober 2003 geen aanspraken aan de WAO ontlenen.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de beperkingen van appellante per 1 oktober 2003 zijn toegenomen. De rechtbank heeft het ervoor gehouden dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 oktober 2003 voortkomt uit een hernia, terwijl de arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd op 19 mei 2003 voortkwam uit beenklachten en knieklachten. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat geen sprake is van dezelfde ziekteoorzaak als bedoeld in artikel 43a van de WAO, zodat de wachttijd van vier weken niet van toepassing is.

4. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank betwist. Zij is van mening dat de klachten waarvoor zij zich in oktober 2003 bij het Uwv heeft ziek gemeld, in mei 2003 al aanwezig waren. Destijds is geen volledige c.q. geen juiste diagnose gesteld omdat appellante enkel gekeurd is op varices, terwijl destijds ook sprake was van knieklachten, waaraan appellante in juli 2003 is geopereerd. Volgens appellante was zij in oktober 2003 toegenomen beperkt op de items staan en lopen, waarvoor destijds al beperkingen zijn aangenomen. Appellante betwist dat de arbeidsongeschiktheid per oktober 2003 voortvloeit uit de hernia, die in maart 2004 is vastgesteld. Volgens appellante is sprake van een vertroebeld beeld doordat de klachten door elkaar lopen. Door de verwevenheid van de klachten is niet eenvoudig aan te geven uit welke ziekteoorzaak welke klacht is ontstaan, aldus appellante.

5. De Raad oordeelt over de aangevallen uitspraak als volgt.

5.1. Artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO -voor zover hier van belang- bepaalt dat indien degene die aan het einde van de in artikel 19 bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na het bereiken van het einde wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebrek, toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt, zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

5.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraken van 10 oktober 2003, LJN AN7545 en USZ 2003, 343 en 17 maart 2004, LJN AP2904, RSV 2004, 172, ziet artikel 43a van de WAO op een toename van de medische beperkingen, resulterend in een toename van de arbeidsbeperkingen. Is er geen sprake van een toename van de arbeidsbeperkingen dan biedt dit artikel geen grondslag voor toekenning van een

WAO-uitkering.

5.3. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad verklaard dat -bij nader inzien- de grondslag van het bestreden besluit niet als juist kan worden aangemerkt. Daaruit vloeit voort dat het bestreden besluit voor vernietiging aanmerking komt. Dit geldt eveneens voor de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten. De Raad ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geheel of gedeeltelijk in stand kunnen worden gelaten en overweegt daartoe het volgende.

5.4. Verzekeringsarts Raddjoe heeft appellante op 7 maart 2003 onderzocht en daarbij als diagnose gesteld: varices van de benen. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat de klachten van pijn en zwelling in de onderbenen, waardoor appellante niet lang kan staan of lopen en met het rechterbeen hoog moet zitten, in overeenstemming zijn met de bevindingen van het lichamelijk onderzoek. In de voor appellante opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 7 maart 2003 zijn beperkingen opgenomen bij de items lopen, klimmen, zitten en staan. Afgaande op de rapportage Ziektewet, die de verzekeringsarts naar aanleiding van het onderzoek op 7 januari 2004 heeft opgesteld, heeft appellante ondanks de operatie op 17 juli 2003 nog pijnklachten in de beide benen. Deze klachten, die wisselend aanwezig zijn, zijn ongeveer dezelfde gebleven. Als diagnose heeft de verzekeringsarts gesteld: pijnlijke varices van de benen. De verzekeringsarts was, gelet op de operatie op 17 juli 2003 en het herstel daarna, van mening dat appellante vanaf die datum gedurende één week volledig arbeidsongeschikt is geweest en dat nadien geen sprake is van toename van beperkingen. Uit de medische stukken, die in de bezwaarschriftprocedure zijn ingezonden, blijkt evenwel dat appellante op 17 juli 2003 niet is geopereerd in verband met de varices aan de benen, maar dat poliklinisch een partiële laterale meniscectomie is verricht van de rechterknie. Voorts heeft appellante vanaf 17 juli 2003 niet gedurende een week uitkering ingevolge de ZW ontvangen, maar over de periode tot 28 augustus 2003. Hoewel geen gegevens voorhanden zijn over de ZW-uitkering die aan appellante is verstrekt over de periode van 17 juli 2003 tot 28 augustus 2003, acht de Raad het alleszins aannemelijk dat die uitkering is toegekend in verband met de operatie, die appellante op 17 juli 2003 heeft ondergaan, en de daarop volgende periode van herstel. Tegen de hersteldverklaring per

28 augustus 2003 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend, hetgeen een aanwijzing vormt dat zij niet betwist op die datum in een vergelijkbare gezondheidstoestand te verkeren als op 18 mei 2003, het einde van de wachttijd van 52 weken.

5.5. In de gedingstukken en hetgeen appellante heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om te veronderstellen dat appellante op 1 oktober 2003 andere klachten ondervond dan de klachten van haar onderbenen. In dit verband wijst de Raad op de tot de gedingstukken behorende brief van de neuroloog W.F. Glimmerveen van

9 april 2004, die meldt dat appellante circa twee jaar pijnklachten in haar rechterbeen heeft. De omstandigheid dat appellante na een val van de trap begin maart 2004 permanent pijnklachten heeft, kan voor de beoordeling van de gezondheidstoestand van appellante per oktober 2003 geen rol spelen en evenmin dat bij een MRI-scan in maart of april 2004 een HNP op niveau L5/S1 rechts is waargenomen. Anders dan de rechtbank, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het standpunt van appellante dat in oktober 2003 sprake was van een medisch objectiveerbare toename van beperkingen, die resulteerden in een toename van de arbeidsbeperkingen. Appellante heeft weliswaar gesteld dat zij op 1 oktober 2003 meer beperkt was op de betreffende onderdelen van de FML van 7 maart 2003, maar heeft geen medische gegevens aangedragen ter ondersteuning van dat standpunt. De Raad is tot de conclusie gekomen dat niet aannemelijk is dat voor appellante op 1 oktober 2003 meer medische beperkingen golden, die leidden tot een toename van de arbeidsbeperkingen, zodat artikel 43a van de WAO geen grondslag vormt voor de toekenning aan appellante van een WAO-uitkering.

De Raad is derhalve van oordeel dat appellante met ingang van 29 oktober 2003 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO, maar op andere gronden dan waarop het bestreden besluit berust. Daaruit vloeit voort dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand kunnen worden gelaten.

5.6. Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak zal vernietigen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond zal verklaren alsmede het bestreden besluit zal vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand zal laten.

6.1. Nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en niet gebleken is van op grond van artikel 8:73 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende kosten, zal de Raad het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

6.2. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 322,-- voor verleende rechtbijstand in beroep, en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 140,-- ( € 37,-- + € 103,--) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J. Rentmeester als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) A.J. Rentmeester.