Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
05-4045 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Medisch onderzoek voldoende zorgvuldig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/4045 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2005, 04/3253 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Diepen.

Het Uwv heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontving sinds 27 januari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts E. Elders appellant op het spreekuur gezien. In haar rapport van 6 augustus 2003 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden en met inachtneming van beperkingen, neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum, in staat was om passende werkzaamheden te verrichten. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M.F. Bakker functies geselecteerd en op basis hiervan een mate van arbeidsongeschiktheid van 36,3% berekend. Bij besluit van 25 november 2003 heeft het Uwv de uitkering per 6 november 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A.C.J. Wever appellant op de hoorzitting gesproken, het dossier bestudeerd en kennis genomen van informatie uit de behandelend sector. In zijn rapport van 13 april 2004 heeft de bezwaarverzekeringsarts de door de verzekeringsarts opgestelde FML onderschreven. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts een FML opgesteld, gedateerd 15 april 2004, met de beperkingen zoals die volgens hem per een toekomende datum gelden. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.F. van der Woude in zijn rapport van

23 april 2004 de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies nogmaals bezien en, nadat enkele functies afvielen, de mate van arbeidsongeschiktheid herberekend op 39,6%. Bij besluit van 7 juni 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 november 2003 ongegrond verklaard.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel omtrent de voor appellant op 6 november 2003 geldende beperkingen te komen en dat appellant in beroep geen medische stukken in het geding heeft gebracht om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van beide verzekeringsartsen ten aanzien van deze beperkingen, zodat er geen aanleiding bestaat om de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat het bestreden besluit niet is voorzien van een deugdelijke motivering als bedoeld in de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN: AR4716 e.v.), omdat in de door het Uwv overgelegde stukken geen inzicht wordt geboden in hoe enkele niet-matchende punten van de FML van invloed zijn op de mogelijkheden van appellant om de hem voorgehouden functies uit te oefenen. Gelet hierop heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak voor zover het betreft de beoordeling per

6 november 2003. Voorts heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich met het oordeel van de rechtbank ter zake van de medische grondslag van het bestreden besluit niet kan verenigen. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat zijn lichamelijke klachten (hoofdpijn, maag- en rugklachten, verstopping van de slagader in zijn linkerbeen boven de knie) en psychische klachten zijn onderschat, dat in de primaire fase noch in bezwaar lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en dat te weinig rekening is gehouden met de door hem ingebrachte informatie uit de behandelend sector.

Het Uwv heeft in hoger beroep een rapport van de bezwaarverzekeringsarts M.C. Wijnen van 15 november 2005 overgelegd, waarin deze reageert op een door appellant in eerste aanleg ingebrachte brief van de chirurg A. Voorwinde van 12 januari 2005. De bezwaarverzekeringsarts is van mening dat appellant als gevolg van de door Voorwinde vastgestelde verstopping van de slagader boven de linker knie, sterker beperkt is op het aspect lopen dan in de FML (onder punt 4.18) was aangenomen. Appellant kan volgens de bezwaarverzekeringsarts minder dan ongeveer 5 minuten achter elkaar lopen, waarbij lopen tot ongeveer 2 minuten achtereen medisch niet bezwaarlijk is. Indien appellant telkens na 2 minuten een korte rustpauze van 5 tot 15 seconden neemt, acht de bezwaarverzekeringsarts het medisch mogelijk dat appellant maximaal de helft van de werkdag (ongeveer 4 uur) loopt. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de aldus gewijzigde beperking op het aspect lopen geldt vanaf het einde van de wachttijd,

26 januari 2003. Bij zijn rapport heeft de bezwaarverzekeringsarts een gewijzigde FML, gedateerd 16 november 2005 gevoegd.

De Raad overweegt allereerst dat uit het rapport van Wijnen van 15 november 2005 valt af te leiden dat deze heeft beoogd de op 6 augustus 2003 vastgestelde FML uitsluitend op item 4.18, Lopen, aan te passen. In de FML van 16 november 2005 zijn echter beperkingen die in de FML van 6 augustus 2003 bij verschillende andere items werden gegeven vervallen, zonder dat daarvoor in het rapport van Wijnen een motivering is gegeven. De Raad gaat er van uit dat de voor appellant per datum in geding,

6 november 2003, vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in de FML van

6 augustus 2003, zoals op item 4.18 gewijzigd door Wijnen.

De grief van appellant voorzover deze er op neerkomt dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest treft naar het oordeel van de Raad doel.

De Raad stelt vast dat appellant zowel op het spreekuur bij de verzekeringsarts als op de hoorzitting, waarbij de bezwaarverzekeringsarts aanwezig was, heeft geklaagd over pijn in zijn rug en benen, waardoor hij niet lang kan zitten, staan en lopen. Beide verzekeringsartsen hebben, zonder overigens appellant te hebben onderzocht, geen nadere beperkingen met betrekking tot die klachten aangenomen. Uit de voormelde brief van de chirurg Voorwinde blijkt evenwel dat voor de pijnklachten in het linkerbeen wel degelijk een lichamelijke oorzaak viel aan te wijzen. Onder deze omstandigheden is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar het oordeel van de Raad niet met de benodigde zorgvuldigheid verricht, zodat het bestreden besluit ook wat betreft dit aspect is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. Het Uwv zal mede met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) H. Bolt.

(get.) M. Gunter.