Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8858

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
05-3538 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Burn-out. Urenbeperking? Activiteitenniveau (sport en reizen) van invloed op aannemen beperkingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3538 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 april 2005, 04/2899 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2007. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 5 mei 2003 met burn-out-klachten uitgevallen vanuit werk als juridisch adviseur bij ABN-AMRO Bank N.V. Op 12 april 2004 heeft appellante een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Appellante is naar aanleiding daarvan op 5 mei 2004 onderzocht door de verzekeringsarts. Bij dat onderzoek heeft appellante een brief van 2 mei 2004 van haar behandelend psycholoog overgelegd, waarin deze verklaart dat het herstel van de burn-out stagneert indien de druk te hoog oploopt en dat appellante voor het herstel veel rust nodig heeft. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 5 mei 2004 geconcludeerd dat bij het onderzoek in geringe mate afwijkende bevindingen zijn vastgesteld als gevolg van ziekte of gebrek en dat appellante is aangewezen op werkzaamheden conform de opgestelde Functionele-Mogelijkheden Lijst. De verzekeringsarts ziet geen aanwijzingen voor het bestaan van concentratiestoornissen. Volgens de verzekeringsarts moet rekening gehouden worden met een nog niet optimale stressbestendigheid, maar ontbreekt de noodzaak voor het stellen van een bijkomende urenbeperking, mede gelet op het vrij hoge activiteitenniveau van appellante. De verzekeringsarts heeft in aanmerking genomen dat appellante regelmatig verre reizen maakte, maar ook dat zij in het voorafgaande jaar veel heeft gelezen, gewandeld, gefietst en gefitnesst.

De arbeidsdeskundige heeft een vijftal functies geselecteerd waartoe appellante in staat wordt geacht en op basis daarvan in zijn rapportage van 1 juni 2004 de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 45 tot 55%.

Bij besluit van 15 juli 2004 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 19 mei 2004 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De bedrijfsarts heeft bij brief van 8 oktober 2004 desgevraagd de bezwaarverzekeringsarts meegedeeld dat de burn-out is veroorzaakt door een combinatie van zowel fysieke als mentale overbelasting, waarvan appellante in mei 2004 slechts langzaam herstelde. Tot mei 2004 werkte appellante vier maal 4,5 uur per week in aangepast werk. Volgens de bedrijfsarts is het activiteitenniveau van appellante door de verzekeringsarts verkeerd ingeschat. De bedrijfsarts vindt het onbegrijpelijk dat er geen aanwijzingen zouden zijn voor het bestaan van concentratiestoornissen.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 14 oktober 2004 aangegeven dat wordt erkend dat sprake is van concentratieproblemen, namelijk dat appellante moeite heeft het lezen van ingewikkelde stukken, maar niet zodanig dat die de belastbaarheid volgens de normaalwaarde overschrijden. Aangegeven is dat de concentratieproblemen niettemin hebben geleid tot het stellen van een beperking met betrekking tot werk met veelvuldige deadlines of productiepieken. De informatie van de bedrijfsarts geeft volgens de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding om aan te nemen dat uit de concentratieproblemen meer beperkingen zouden voortvloeien. Met betrekking tot het aannemen van een urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts - onder verwijzing naar de Standaard Verminderde Arbeidsduur (SVA) - overwogen dat daarvoor geen indicatie aanwezig is. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat geen sprake is van een ernstig psychiatrisch ziektebeeld en dat de activiteiten waar appellante nog toe in staat was daar een bevestiging van vormen.

Het tegen het besluit van 15 juli 2004 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van

19 oktober 2004 ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het besluit van 19 oktober 2004 beroep ingesteld. De bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidskundige hebben in hun rapportage van 16 december 2004 een nadere motivering gegeven van de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies.

Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van 19 oktober 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid op zorgvuldige wijze zijn vastgesteld en voldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank was de (bezwaar-)verzekeringsarts niet gehouden nadere informatie bij de psycholoog op te vragen.

Appellante heeft gesteld dat in de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met het houden van rust. Er was niet alleen sprake van een arbeidsconflict. Het Uwv heeft verzuimd hierover nadere informatie in te winnen bij de psycholoog. Appellante heeft gesteld dat wel is onderkend dat zij lijdt aan concentratiestoornissen, maar dat is nagelaten daaraan consequenties te verbinden. Niet is gemotiveerd waarom de beoordeling van de (bezwaar-)verzekeringsarts afwijkt van die van de bedrijfsarts en de psycholoog. Appellante vindt dat het Uwv haar herstel heeft belemmerd doordat zij vanaf mei 2004 niet arbeidsongeschikt is geacht. Appellante stelt dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Volgens appellante kan de bedrijfsarts het haalbare activiteitenniveau beter inschatten dan de (bezwaar-) verzekeringsarts, aangezien deze veelvuldig contact met appellante heeft gehad. Het activiteitenniveau van appellante is door de rechtbank te hoog ingeschat. Ten onrechte zijn in de aangevallen uitspraak het sporten en de reizen naar Spanje, Egypte en Sri Lanka tegen appellante gebruikt. Appellante voert aan dat het normaal is vakantie te houden, dat de reizen van belang zijn voor haar energieniveau en de reizen grotendeels plaatsvonden voordat zij ziek werd. Sporten bevordert het herstel van een burn-out. Voorts heeft appellante betoogd dat voor het aannemen van een urenbeperking niet is vereist dat sprake is van een ernstige lichamelijk of psychische ziekte. Een zodanig vereiste volgt volgens appellante niet uit de Standaard Verminderde Arbeidsduur. Appellante heeft voorts tegengeworpen dat de geselecteerde functies van een lager niveau zijn dan haar oorspronkelijke werk.

Het Uwv heeft gesteld dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat bij de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de klachten van appellante, waaronder het houden van rust en de concentratieproblemen. Een beperking voor verrichten van arbeid is aangenomen ten aanzien van het verrichten van werk met veelvuldige deadlines of productiepieken. Voor het aannemen van een urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts - naar het oordeel van de Raad op goede gronden - geen aanleiding gezien.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische beoordeling op voldoende onderzoeksgegevens berust en voldoende is gemotiveerd.

In de informatie van de psycholoog en de bedrijfsarts ziet de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de beoordeling door de (bezwaar-)verzekeringsarts. De stelling van appellante dat sporten en reizen het herstel van een burn-out bevorderen doet er niet af dat die bezigheden tezamen met verdere activiteiten van appellante voor de (bezwaar-) verzekeringsarts een aanwijzing kunnen vormen voor de beantwoording van de vraag of en, zo ja, in welke mate sprake is van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Naar het oordeel van de Raad is niet doorslaggevend hoeveel en welke buitenlandse reizen appellante tijdens haar ziekte heeft gemaakt. Niettemin twijfelt de Raad er niet aan dat sprake was van een zodanig activiteitenniveau dat de bezwaarverzekeringsarts mede op basis daarvan heeft kunnen concluderen dat appellante niet is aangewezen op werk met een urenbeperking.

De Raad overweegt dat de (bezwaar-)verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector - waaronder een behandelend psycholoog - is evenwel aangewezen in die gevallen waarin reeds een behandeling in gang is gezet of zal worden gezet, welke een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of indien een betrokkene stelt dat de behandelaar een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over diens beperkingen. Evenals de rechtbank ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om het Uwv gehouden te achten nadere inlichtingen bij de psycholoog in te winnen.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank dat appellante gelet op de arbeidskundige rapportages in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. Dat deze functies van een lager niveau zijn dan het oorspronkelijke werk van appellante doet er niet aan af dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid op die functies mag baseren.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.