Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8763

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
06-3921 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Is terecht besloten tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 271
RSV 2007, 266
ABkort 2007/382
JB 2007/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3921 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 mei 2006, 05/3193 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.L.A. Ruijs, advocaat te Oss, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2007. Appellante is daar met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan appellante werd ten tijde hier van belang bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder verleend. Bij besluit van

1 augustus 2005 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 18 juli 2003 tot en met 31 januari 2005 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 22.591,36 van haar teruggevorderd.

Namens appellante heeft mr. J.H.L.C.M. Kuijpers, advocaat te ’s-Hertogenbosch, bij brief van 18 augustus 2005 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 augustus 2005.

Het College heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 2 september 2005 verzocht om de gronden “zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee weken na de datum van deze brief” in te dienen. Daarbij is aangegeven dat niet nakoming tot niet-ontvankelijk-verklaring van het bezwaar kan leiden.

Bij besluit van 23 september 2005 heeft het College het tegen het besluit van 1 augustus 2005 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de gronden van het bezwaar niet binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ontvangen.

Appellante heeft tegen het besluit van 23 september 2005 beroep ingesteld. Aangevoerd is onder meer dat de voor het indienen van de gronden gestelde termijn van twee weken geen redelijke termijn is, omdat zij nog niet beschikte over het rapport van de sociale recherche, dat aan het besluit ten grondslag ligt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de gestelde termijn voor het indienen van de gronden van het bezwaar redelijk is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt:

“1 Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

(…)

d. de gronden van het bezwaar of beroep.”.

Artikel 6:6 van de Awb luidt:

“Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 (…), mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.”.

Artikel 6:17 van de Awb luidt:

“ Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar of beroep te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde.”.

Met partijen stelt de Raad vast dat het inleidend bezwaarschrift geen gronden bevat in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb en dat binnen de gestelde termijn van twee weken niet alsnog gronden zijn ingediend. Die gronden zijn wel kenbaar gemaakt in het bij de rechtbank ingediende aanvullende beroepschrift.

In voormelde artikelen, in hun onderlinge samenhang bezien, ligt naar het oordeel van de Raad besloten dat de ingevolge artikel 6:6 van de Awb te stellen termijn aan een gemachtigde voor het namens een belanghebbende indienen van gronden van het bezwaar zodanig dient te zijn dat de gemachtigde zijn taak naar behoren kan vervullen. Om concrete bezwaren te kunnen formuleren tegen door de sociale recherche geconstateerde feiten en onderzoeksbevindingen en daaruit door het bestuursorgaan getrokken juridische conclusies zal het in het algemeen noodzakelijk zijn dat de gemachtigde kan beschikken over de aan het primaire besluit ten grondslag liggende rapportage van de sociale recherche. Bij het bepalen van de termijn dient daarom rekening te worden gehouden met de tijd die redelijkerwijs nodig is voor het ter beschikking krijgen, bestuderen en zo nodig bespreken van die rapportage met degene die door de gemachtigde wordt vertegenwoordigd. De gestelde termijn van twee weken aan een gemachtigde die, zoals mr. Kuijpers, niet zelf over die rapportage beschikt en aan wie die rapportage ook niet is toegezonden, is hiervoor onredelijk kort. In dit licht bezien kan niet aan appellante worden tegengeworpen dat haar toenmalige gemachtigde niet binnen deze (te korte) termijn de gronden van het bezwaar heeft ingediend of om uitstel heeft gevraagd.

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 23 september 2005 wegens strijd met de wet vernietigen. Het College zal een nieuw besluit op het bezwaar van appellante dienen te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 23 september 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het besluit van 1 augustus 2005 met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante, in totaal € 966,-- , te betalen door de gemeente Utrecht;

Bepaalt dat de gemeente Utrecht het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,--vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.M. van Male en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A.C. Palmboom.