Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8759

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
04-07-2007
Zaaknummer
06/3423 WWB + 06/3425 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen bezit (vermogen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3423 WWB

06/3425 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te Ede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 mei 2006, 05/4516 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Roethof. Tevens is daar als tolk verschenen

[zoon], de zoon van appellante. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.M. Peusen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellanten ontvingen sedert 5 januari 2001 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van de ter kennis van het College gebrachte resultaten uit een door het Boven Regionaal Rechercheteam Noord-Oost Nederland, locatie Arnhem, tegen - onder meer - appellante ingesteld strafrechtelijk onderzoek, heeft het Bureau Sociale Recherche van de gemeente Ede (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek heeft het College bij besluit van 16 februari 2005 de bijstand van appellanten over de periode van 5 januari 2001 tot en met 31 december 2004 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 66.028,61 van hen teruggevorderd. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden ten gevolge waarvan het recht op bijstand niet (meer) is vast te stellen.

Bij besluit van 28 september 2005 heeft het College het tegen het besluit van 16 februari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 28 september 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd waarbij in essentie de in beroep aangevoerde gronden zijn herhaald. Kort samengevat stellen appellanten zich op het standpunt dat de uitspraak in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en getuigt van onevenredige hardheid. Met name is daarbij aangevoerd dat gelet op het oorlogsverleden van appellante niet op de (tijdens het strafrechtelijk verhoor) door haar afgelegde verklaringen kon worden afgegaan. Voorts wordt bestreden dat appellanten hun inlichtingenverplichting met betrekking tot het onroerend goed in Kosovo hebben geschonden en dat zij hebben beschikt over in aanmerking te nemen vermogen. Tot slot is aangevoerd dat er dringende redenen aanwezig zijn om geheel dan wel gedeeltelijk van terugvordering af te zien. In dit kader is gesteld dat appellanten er geestelijk en lichamelijk aan onderdoor gaan.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad onderschrijft het door het College ingenomen, door de rechtbank op de bladzijdes 3 tot en met 5 van de aangevallen uitspraak gevolgde, standpunt dat op grond van de door de sociale recherche opgemaakte rapporten van 11 februari 2005 en 23 mei 2005 is komen vast te staan dat appellanten over de periode hier in geding beschikten over bankrekeningen en onder meer grond in Kosovo alsmede over aanzienlijke geldbedragen, waarover zij aan het College geen mededeling hebben gedaan, terwijl het voor appellanten redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze gegevens van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Aan hetgeen de rechtbank in dit kader heeft overwogen voegt de Raad nog toe dat uit de rapporten van de sociale recherche is gebleken dat appellant onder meer heeft beschikt over de in de brief van 3 mei 2005 van het Internationaal Bureau Fraude-informatie vermelde grond met een oppervlakte van in totaal ongeveer 1,29 hectare, gelegen in Smolice te Kosovo. De Raad acht daarbij van belang dat deze gegevens zijn ontleend aan een op 26 april 2005 gedateerd uittreksel van het kadaster van Smolice. Aan de door appellanten overgelegde informatie van de “United Nations” van 3 maart 2005, namelijk dat op naam van appellant geen bezit is geregistreerd in Kosovo, gaat de Raad voorbij aangezien niet is gebleken uit welke bron de “United Nations” deze informatie hebben verkregen en deze informatie niet overeenkomt met hetgeen appellanten ten overstaan van de sociale recherche hebben verklaard.

Voorts verenigt de Raad zich met het in de aangevallen uitspraak door de rechtbank gegeven oordeel dat op grond van het verzwijgen van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden en op grond van de nadien door appellanten gegeven verklaringen en verstrekte gegevens, het College niet beschikt over de benodigde gegevens om het recht op bijstand te kunnen vaststellen in de periode hier van belang. Dat, zoals ter zitting is gebleken, aan appellanten sedert februari 2005 wederom bijstand is verleend, doet hieraan niet af.

Nu de schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft gehad dat aan appellanten ten onrechte bijstand is verleend, is het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand over de in geding zijnde periode. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was tot terugvordering van de over de in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand. Naar het oordeel van de Raad gaat het beleid van het College, waarbij de ten onrechte verleende bijstand steeds wordt teruggevorderd tenzij sprake is van dringende redenen, de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten in het geval, zoals in deze zaak, sprake is van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting. De Raad stelt voorts vast dat het College overeenkomstig dit beleid heeft beslist. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen. Appellanten hebben hun standpunt niet onderbouwd met medische gegevens.

Voorts ziet de Raad in hetgeen is aangevoerd geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van dat beleid had behoren af te wijken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en R.H.M. Roelofs

en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.

EK1906