Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8673

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
06-3092 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advies bedrijfsarts. Vergewisplicht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3092 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 april 2006, 05/1487 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.F.E. Frommé, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld. Mr. W.T.J.G. Osse, advocaat te Houten, heeft nadien aanvullende gronden ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 22 mei 2007. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. Osse. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.drs. J.J.H. klein Teeselink, werkzaam bij de gemeente Houten.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt sedert 1 november 2003 algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 10 november 2004 heeft het College, na een herbeoordelingsonderzoek, meegedeeld dat de uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet van appellante met ingang van 1 november 2004 wordt omgezet in een WWB-uitkering en dat voor haar in volle omvang de verplichtingen tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB golden.

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het College het tegen het besluit van 10 november 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat, gelet op het nader ingewonnen advies van 7 februari 2005 van de bij de Arbo-dienst werkzame bedrijfsarts-adviseur Narain, geen aanleiding bestaat appellante gedeeltelijk te ontheffen van genoemde verplichtingen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 3 mei 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de uitspraak van de rechtbank.

Daartoe is aangevoerd dat het advies van de bedrijfsarts Narain niet op een zorgvuldig medisch onderzoek berust, dat het College zijn besluit niet op dat advies had mogen baseren, dat verzuimd is appellante in de gelegenheid te stellen haar stellingen met medische gegevens te onderbouwen en dat appellante dient te worden vrijgesteld van sollicitatie- en reïntegratieverplichtingen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:9 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan, indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kan van een deugdelijke advisering, die het bestuursorgaan de mogelijkheid biedt daarop af te gaan, slechts sprake zijn indien uit dat advies ten minste blijkt op basis van welke gegevens dit tot stand is gebracht en welke procedure daarbij is gevolgd.

De Raad moet vaststellen dat het door de bedrijfsarts Narain uitgebrachte advies van 7 februari 2005 op zodanige wijze is geformuleerd dat onduidelijk is op welke wijze de bedrijfsarts tot dit advies is gekomen. Zo vermeldt het advies niet welke onderzoeken de bedrijfsarts heeft verricht, of en zo ja welke inlichtingen door de behandelende sector (waaronder de huisarts) zijn verstrekt, en of aan de gestelde medische klachten van appellante aandacht is besteed. In feite wordt in het advies volstaan met de mededeling dat de bedrijfsarts appellante heeft gesproken, het herhalen van de door het College gestelde vragen en het vermelden van enige conclusies ten aanzien van de gestelde arbeidsbeperkingen. Gelet hierop heeft het College, naar het oordeel van de Raad, zich niet ervan kunnen vergewissen dat het door de bedrijfsarts Narain verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en heeft hij evenmin kunnen nagaan of uit de onderzoeksbevindingen door de bedrijfsarts de juiste conclusies zijn getrokken. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dan ook dat het besluit van 3 mei 2005 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen. De aangevallen uitspraak komt derhalve reeds daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 3 mei 2005 vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 van de Awb en het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op

€ 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 mei 2005;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Houten;

Bepaalt dat de gemeente Houten aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en G.A.J. van den Hurk en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.