Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8659

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
05-07-2007
Zaaknummer
06-3277 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Niet binnen gestelde termijn gevraagde gegevens verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3277 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2006, 05/1701 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H. Lofosang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 1985 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Op 30 november 2004 en 1 december 2004 hebben medewerkers van de Sociale Dienst Amsterdam (hierna sociale dienst) in het kader van het project "Klant in Beeld" een huisbezoek gebracht aan de woning van appellant en hem niet thuis aangetroffen. Bij het laatste huisbezoek is een brief in zijn brievenbus gedeponeerd waarbij appellant in verband met een heronderzoek wordt opgeroepen voor een gesprek op 3 december 2004 waarbij hij gegevens diende te overleggen, waaronder de afschriften van bank- en postbankrekeningen van de laatste drie maanden. Appellant heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven.

Naar aanleiding daarvan heeft het College bij besluit van 3 december 2004 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellant met ingang van 3 december 2004 opgeschort en hem uitgenodigd voor een gesprek op 7 december 2004 waarbij hij de ontbrekende gegevens alsnog kon verstrekken. Het College heeft daarbij aangegeven dat, indien appellant zijn verzuim niet herstelt, de bijstand wordt beëindigd. Het besluit van 3 december 2004 is nog diezelfde dag door een medewerker van de sociale dienst in de brievenbus van appellant gedeponeerd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

Vervolgens heeft het College bij besluit van 7 december 2004 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 3 december 2004 ingetrokken op de grond dat appellant ook aan de oproep voor een gesprek op 7 december 2004 geen gehoor heeft gegeven en in gebreke is gebleven de gevraagde gegevens te verstrekken.

Bij besluit van 3 maart 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit 7 december 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 maart 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het College mededeling van de opschorting aan belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Het College heeft appellant op 3 december 2004 in de gelegenheid gesteld om het verzuim te herstellen door gehoor te geven aan de oproep voor een gesprek op 7 december 2004, waarbij appellant de gevraagde gegevens alsnog kon inleveren. Vaststaat dat appellant - ook - aan deze oproep geen gehoor heeft gegeven. In de door appellant in het hoger-beroepschrift aangegeven gronden ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat deze gedraging hem niet kan worden verweten. Dat appellant, zoals hij stelt, zijn brievenbus slechts eenmaal per maand (en wel aan het einde van de maand) leegt, dient voor zijn rekening en risico te komen. De stelling van appellant dat hij de afgelopen twintig jaar nog niet eerder door een medewerker van de sociale dienst thuis is bezocht en het afleggen van huisbezoeken aan mensen die al twintig jaar bijstand ontvangen zeer ongebruikelijk is, leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel.

Hiermee is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het College was derhalve bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 3 december 2004 in te trekken. De Raad ziet evenals de rechtbank geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) L. Jörg.