Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-07-2007
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
05-2391 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/2391 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2005, 04/2254 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 juli 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Köse, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007.

Appellant is verschenen, bijgestaan door R. Küçükünal, juridisch medewerker bij het kantoor van mr. Köse. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 17 juni 2004, waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van appellant per 22 december 2003 te herzien en vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts niet onjuist zijn, dat voldoende is toegelicht dat appellant de geduide functies moet kunnen verrichten en dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Appellant heeft daartegen aangevoerd dat volgens de verzekeringsarts de pols- en knieklachten blijvend zijn, dat hij nog steeds last heeft van zijn rug en zijn hoofd en dat het in strijd met de rechtszekerheid is om een half jaar na toekenning van de uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %, die uitkering te verlagen.

Allereerst overweegt de Raad dat het feit dat aan appellant bij beslissing van

20 maart 2003 alsnog per 24 oktober 2000 een uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 % is toegekend, er niet aan in de weg staat dat bij het thans bestreden besluit die uitkering per een latere datum wordt ingetrokken. De beslissing van 20 maart 2003 ziet immers op de datum 24 oktober 2000 en daarin wordt geen oordeel gegeven over de thans in geding zijnde datum, 22 december 2003. Voorts worden in het geheel geen verwachtingen gewekt omtrent het voortduren van de uitkering in de toekomst.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd omtrent de medische kant van de zaak bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel dienaangaande van de rechtbank.

Uit de beschikbare medische stukken blijkt niet dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende rekening is gehouden met de knie- en polsklachten. De verzekeringsarts constateert in zijn rapportage van 1 augustus 2002 dat de polsklachten rechts en de knieklachten links vooral blijken te berusten op myogene problemen. Duidelijke afwijkingen worden niet gezien en er zijn geen duidelijke bewegingsbeperkingen. De verzekeringsarts acht het verstandig voorlopig enige rekening te houden met de pols- en knieklachten. Blijkens de rapportage van 4 september 2003 kan de verzekeringsarts de ernst van de klachten van de hand niet verklaren, althans niet uit gevonden afwijkingen. Door de specialist werden de klachten geduid als een gevolg van overbelasting; door de rust en inactiviteit kunnen de verschijnselen en klachten afgenomen zijn. In de FML is onder andere bij de punten 3.5 (beschermende middelen), 3.8 (trillingsbelasting), 4.3 (hand- en vingergebruik), 4.7 (schroefbewegingen met hand en arm) en 5.7 (boven schouderhoogte actief zijn) een beperking opgenomen. Voorts zijn beperkingen opgenomen in verband met de rugklachten en de hoofdpijn. Noch in beroep noch in hoger beroep heeft appellant medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van meer beperkingen.

Met betrekking tot de stelling van appellant dat de bezwaarverzekeringsarts de pols- en knieklachten als blijvend heeft aangemerkt overweegt de Raad dat het Uwv in het verweerschrift de bedoeling van die opmerking heeft uitgelegd. Deze uitleg acht de Raad afdoende.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de zaak overweegt de Raad het volgende.

De schatting is gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (111180), machinaal metaalbewerker (264122) en productiemedewerker textiel (272043). De Raad constateert dat de productiemedewerker textiel (functienummer 2571-0026-003) tijdens

8 werkuren 1 maal ongeveer 60 minuten achtereen moet zitten. In deze functie moet een voetpedaal met twee voeten bediend worden. Soms is er de mogelijkheid om te vertreden. In de FML is opgenomen dat appellant ongeveer een halfuur achtereen kan zitten en dat hij gedurende het grootste deel van de werkdag kan zitten. Als toelichting is daarbij opgenomen dat ook regelmatig tot een uur gezeten kan worden en dat appellant zonodig moet kunnen vertreden. Naar het oordeel van de Raad is ongeveer een half uur achtereen zitten en regelmatig een uur niet hetzelfde als gedurende de hele dag telkens een uur achter elkaar zitten en dat gedurende vijf dagen per week. Dat er soms een mogelijkheid is om te vertreden is ook niet hetzelfde als zonodig kunnen vertreden. Het feit dat appellant tijdens het gesprek met de arbeidsdeskundige een uur heeft gezeten ogenschijnlijk zonder kenmerken van pijnbeleving of onvermogen daartoe acht de Raad niet redengevend om aan te nemen dat appellant dat ook gedurende 8 uren per dag,

vijf dagen per week, kan. In de functie machinaal metaalbewerker dient tijdens

4 werkuren 1 maal ongeveer 60 minuten achtereen en tijdens 4 werkuren 1 maal ongeveer 45 minuten achtereen gezeten te worden. Ook hier is derhalve sprake van meer dan een half uur achtereen zitten; van enige mogelijkheid tot vertreden blijkt niet. De Raad heeft voorts geconstateerd dat in de FML bij persoonlijk functioneren, concentreren van de aandacht, een beperking is opgenomen in verband met de hoofdpijnklachten van appellant; dit is een zogenoemd niet-matchend item. In geen van de medische of arbeidskundige rapportages is toegelicht dat appellant met deze beperking de geduide functies kan verrichten.

Gelet op de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (onder meer LJN: AR 4719) voldoet de schatting derhalve niet aan de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid.

Het bestreden besluit dient dan ook wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,=.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,=, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 140,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2007.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

JL