Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:BA8592

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
03-07-2007
Zaaknummer
05-6551 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Minder dan 15% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6551 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 oktober 2005, 04/2003 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 juni 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Koelewijn, advocaat te Uden, hoger beroep ingesteld en zijn aanvullend nog medische stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2007, waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft doen vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, die werkzaam is geweest als productiemedewerkster/schoonmaakster, is op 26 augustus 2002 uitgevallen met een recidiverende cystitis en haematurie. Daarnaast heeft zij psychische klachten gekregen.

Bij besluit van 3 juni 2004, hierna het bestreden besluit, heeft het Uwv in bezwaar gehandhaafd zijn besluit van 17 juli 2003, strekkende tot de weigering van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 25 augustus 2003 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.

De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en dat de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Daarbij heeft de rechtbank laten wegen dat de verzekeringsarts A.C.M. Cooijmans dossieronderzoek en gericht lichamelijk en psychiatrisch onderzoek heeft gedaan. Uit het in 2001 verrichte urologisch onderzoek en later de gastro(duodeno)scopie zijn geen afwijkingen naar voren gekomen. Voorts heeft de verzekeringarts kennisgenomen van een brief van 16 mei 2003 van de GGZ en gegevens over een ziekenhuisopname op 21 juli 2003 voor onderzoek aan de urinewegen. De bezwaarverzekeringsarts A.C.D. Huijsmans heeft, na het meewegen van de in bezwaar overgelegde inlichtingen van de internist, huisarts en GGZ, aangegeven dat de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) neergelegde beperkingen van appellante voldoende gedragen worden door de objectiveerbare gegevens en dat de extra beperkingen die appellante ervaart niet worden onderbouwd vanuit de bestaande medische informatie en onderzoekgegevens. Door appellante zijn geen medische stukken overgelegd die doen twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen omtrent haar beperkingen op de datum in geding. Naar aanleiding van de stelling dat appellante, nadat zij is gezien door de (bezwaar)verzekeringsartsen, nog nadere onderzoeken bij specialisten heeft ondergaan, heeft de rechtbank overwogen dat de beperkingen van appellante ten tijde in geding, 25 augustus 2003, centraal staan en dat met eventuele latere verslechteringen geen rekening wordt gehouden.

De rechtbank heeft zich voorts kunnen verenigen met de functies zoals deze als grondslag voor de schatting in aanmerking zijn genomen, maar heeft het besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dit omdat de motivering van de geschiktheid van de geselecteerde functies pas in beroep is gegeven met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige A.A.J.M. Kamp d.d. 13 juli 2005.

In hoger beroep zijn de eerdere grieven herhaald en is aangevoerd dat appellante als gevolg van haar klachten volledig arbeidsongeschikt is en dat sprake is van persoonlijk en sociaal disfunctioneren, waardoor zij voldoet aan de criteria zoals gesteld in de standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden. Ter ondersteuning is verwezen naar de eerder overgelegde informatie, alsook naar de recent ingezonden medische informatie, gedateerd 8 mei 2007. Appellante heeft zich onder verwijzing naar de informatie van de Pompestichting d.d. 27 maart 2007 op het standpunt gesteld dat sprake is van een agressieregulatieprobleem bij een cluster B persoonlijkheidsstoornis, dat zij onder behandeling is van de psycholoog en dat een gesprek aanstaande is voor opname in een kliniek.

De Raad onderschrijft het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. In hetgeen namens gemachtigde ter zitting is aangevoerd met betrekking tot de psychische klachten, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten om de conclusies van (bezwaar)verzekeringsartsen voor onjuist te houden. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat ten tijde in geding alle beschikbare informatie uit de behandelende sector, waaronder voormelde informatie van het GGZ, is meegewogen en de bezwaarverzekeringsarts Huijsmans aanleiding heeft gevonden om de FML aan te scherpen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts H.J.M. Stammers afdoende aangegeven waarom appellante niet voldoet aan de criteria van de standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de psychische beperkingen op de datum in geding niet juist zijn vastgesteld, in welk verband de Raad opmerkt dat de gegevens uit het recent overgelegde huisartsenjournaal onvoldoende bewijs opleveren voor de veronderstelling dat een verslechtering van de psychische toestand zich reeds op de datum hier in geding heeft gemanifesteerd. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting merkt de Raad op dat ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van appellante die zich hebben voorgedaan na de datum in geding, bij de beoordeling van het bestreden besluit buiten aanmerking dienen te worden gelaten. De Raad concludeert dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met alle klachten van appellante.

Daarvan uitgaande staat voor de Raad tevens genoegzaam vast dat gelet op de in (hoger) beroep door de bezwaararbeidsdeskundigen gegeven toelichtingen van 13 juli 2005 en 5 februari 2007 op toereikende wijze is toegelicht waarom de functies als voor appellante haalbaar kunnen worden aangemerkt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dat wil zeggen: voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten, komt voor bevestiging in aanmerking.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.

MK